Voor een tuinier is tuinwerk geen werk, maar bouwen aan een droom. Hij weet dat al dat zwoegen, slepen, snoeien, wieden en maaien bijdraagt aan de creatie van een droomtuin, een eigen paradijsje, dat de tuinier van de natuur slechts in bruikleen heeft gekregen.
Wat mooi is en wat lelijk, doet er in een tuin gewoon niet toe; evenmin of deze klein of groot is. Schoonheid laat zich moeilijk ontleden. Het gras is immers mooi omdat het groen is, stenen zijn mooi omdat ze schitteren, rivieren zijn mooi omdat ze lang en breed zijn en de tuin is mooi omdat het een geheel geworden is. Een geheel met een eigen volkomenheid, verhouding en glans. De tuinier heeft zijn eigen invulling gegeven aan de hem toegemeten ruimte.
Gebaseerd op een plan of op advies van een tuincentrum ontstaat de basis voor de tuin. In de loop van de seizoenen krijgt de tuin steeds meer een eigen karakter. Een van vakantie meegebrachte plant krijgt een ereplaatsje, een van een verre vriendin gekregen stekje geeft aan een hoekje iets speciaals, iets eigens dat het uiterlijk van de plant dan ook ontstijgt. Een bij de geboorte van een zoon of dochter geplante boom wordt met extra zorg omringd. En als voor de oude poes op een nacht de wereld ophoudt te bestaan, wordt ze in een geur van rozen begraven.
Zo'n tuin is volgepakt met ideeën in plantvorm, geplaveid met stenen van weleer en gemeubileerd met zitjes voor de toekomst en wordt gekoesterd om de herinneringen aan vervlogen seizoenen.
In de drukte van het dagelijks bestaan neemt zo'n tuin een bijna religieuze plaats in: dat is immers de plek waar de buitenwereld met z'n onbeschaamde vrijpostigheid moet wijken voor de stilte en de beslotenheid van de eigenge-schapen ruimte van de tuinier.
Lente
De aanvang van het tuinseizoen is kil en koel; begin maart ligt het grasveld er grauw en hobbelig bij. Het snoeiwerk is vaak nog in volle gang en de borders zien er verdord uit. Het verplanten moet ook nog beginnen; de grond is echter vaak te nat, te koud en te zwaar. Sommige planten hebben de winterkou en de alles doordringende oostenwind niet overleefd: leeg en verdord steken de resten in hun doodskleed van smeltende sneeuw boven de natte aarde uit.
Maar is het werk eenmaal gedaan en komt op de zuidwestenwind het zachte weer aangedreven, dan ontluikt de tuin en doet de lente z'n jubelende entree. Het geel van de narcissen en de vele tinten groen, overgoten door een sprankelende zon, doen de winter vergeten. Een in de grond gestoken spa laat de aarde dampen. Energiek woelen mollen langs tuinpad en grasrand de grond om.
's Morgens is de tuin gevuld met het vrolijke gekwetter van koolmees en vink. Als op een zaterdagmorgen de zon vroeg doorbreekt, kan het eerste kopje koffie buiten op het terras genoten worden. Een nieuwe plant van het tuincentrum vervangt de lege plek die de winter veroorzaakt heeft.
Zomer
De zomer als een groot tuinfeest van kleuren en geuren: dat beeld benadert het dichtst het allesomvattende tuinplan van de tuinier.
Uitbundig bloeit de zomertuin en de rijpende vruchten voor een rijke herfstoogst doen de takken van de fruitbomen doorbuigen. Na een lome, warme nazomerdag kan men 's avonds nog uren buiten zitten in de door de geurende kamperfoelie gekenmerkte duisternis van augustus.
Herfst en winter
De herfst staat in het teken van de oogst en het verval. De eerste vorst geeft de nacht een helderheid en een transparante donkerte. In de nachtelijke stilte is slechts plaats voor een ver licht en de enkele roep van een hoog overvliegende vogel. De winter is in aantocht.
Heel veel van het geschrevene zal voor de doorgewinterde tuinier herkenbaar zijn; het zijn tenslotte de alledaagse tuin-ervaringen van schrijver en tekenares die in tekst en beeld gevangen zijn.
Aanleg en inrichting van de tuin
De tuin begint met de aanleg; eerst in gedachten, vervolgens op papier en dan pas in de nog verse tuin.
Het tuinplan
Een tuin kan het best niet direct worden aangelegd, maar moet eerst op papier worden opgezet.
Allereerst worden de buitenmaten van de tuin en de ligging ten opzichte van het zuiden op papier aangegeven. Vervolgens krijgen de reeds aanwezige elementen een plaats. De volgende stap is te overdenken wat men eigenlijk met die vierkante meters grond wil. Het kan bijvoorbeeld om te beginnen een wens zijn dat er vrijwel het gehele jaar door wel iets in de tuin bloeit. De borders moeten evenwichtig van opbouw zijn en het moet net lijken of de tuin voor elk van de seizoenen is aangelegd. En praktische zaken, zoals eventueel een schommel, een zandbak of een klimrek voor de kleuters mogen ook niet worden vergeten.
Aan een tuininrichting gaat veel denkwerk vooraf. Zo'n tuinplan ontstaat allereerst in het hoofd. Het papieren tuin-ontwerp is daar de eerste tastbare uitdrukking van. Hierop krijgen de verschillende ideeën vorm en worden paden, terrassen en plantmateriaal tot een geheel gesmeed.
Ga bij het tekenen uit van een gemiddelde van vier vaste planten per vierkante meter en één heester of boom. Let vooral goed op de uiteindelijke hoogten van het plantmateriaal en hun plaats in de borders. Op papier 'plant' men snel een lage plant achter een veel hogere.
Stel vervolgens aan de hand van het tuinplan een plantenlijst op en bezoek daarmee een aantal tuincentra. De prijsverschillen die ongetwijfeld aanwezig zijn, komen veelal voort uit de grootte van het aangeboden plantmateriaal. Bij nog heel jonge plantjes horen nu eenmaal heel kleine prijsjes.
Voorbereiding van het terrein
De grond moet zoveel mogelijk vrij van onkruiden en even-tueel bouwafval zijn. Ook moet de bovengrond een losse structuur hebben, zodat de planten snel wortelen. Diep omspitten of omploegen en daarna fraisen is daartoe wenselijk. Ongewenste kuilen en heuvels moeten geëgaliseerd worden. Is het grondwaterpeil hoog of ligt de tuin ongunstig om hemelwater af te voeren, dan is het aan te bevelen drainage aan leggen.
De beste volgorde van het aanleggen van een tuin is eerst terrassen, tegelpaden en pergola's te maken. Plant vervolgens de bomen en heesters, dan de vaste planten en leg als laatste het grasveld aan.
Planten
Plant niet als het regent: de structuur van de grond wordt dan door het belopen zo slecht, dat het effect van de grondvoorbereiding tenietgedaan wordt. Ook slaan planten slecht aan als ze in een met water gevuld plantgat komen te staan. Wacht liever een paar dagen op beter weer en kuil bomen en heesters, als ze niet met kluit geleverd zijn, zolang in.
Voor er daadwerkelijk met het planten begonnen wordt, is het raadzaam alle planten, inclusief de bomen en heesters, volgens het tuinplan los op de juiste plaats neer te zetten. Bezie zodra dat is gebeurd het geheel en breng zo nodig wijzigingen in de opstelling aan. Pas als alles naar wens is, kan het werkelijke planten beginnen. Plaats bij de bomen een stevige paal met boomband. Zet de planten in ruime plantgaten en druk vooral de aarde rond bomen en heesters goed aan.
Een tuinvijver
Een plas water kan aan een tuin iets extra's geven; de maat doet er niet werkelijk toe. Mits er voldoende ruimte is om een vijver in het ontwerp in te voegen, past water - in de vorm van een vijver - heel goed in de tuin. Water is tenslotte een steeds terugkerend element in het Nederlandse landschap.
De plaats van de vijver is belangrijk: liefst op een open, zonnige plek in de tuin: de meeste waterplanten hebben veel zon nodig. Bovendien waaien er als de vijver te dicht onder heesters en bomen is aangelegd, gemakkelijk dode bladeren in. Juist dit soort organisch afval is er de oorzaak van dat het water troebel wordt.
Kant en klaar gekochte vijvers zijn er in alle soorten en maten, waarbij de fabrikant de verhouding tussen wateroppervlakte en vijverdiepte al bepaald heeft. Legt men de vijver zelf aan, dan kan men uitgaan van de vuistregel dat de grootste diepte in centimeters gelijk moet zijn aan het aantal centimeters van de grootste lengtemaat aan het wateroppervlak. De wanden van de vijver moeten glooiend zijn om afkalven van de oevers te voorkomen.
De bodem kan in diepte variëren, zodat er verscheidene soorten planten, die op verschillende dieptes geplant moeten worden, kunnen worden toegepast. Om de aarde bijeen te houden, kunnen waterplanten het best in rieten of plastic mandjes geplant worden.
Het aantal vissen dat een vijver kan bevolken, wordt bepaald door het wateroppervlak: elke vis heeft een 'stuk' water nodig van veertig bij vijftig centimeter. Ingegraven tonnen en badkuipen zijn daarom over het algemeen te klein om als visvijver te dienen. Hierin vestigen zich wel vaak spontaan salamanders en kikkers.
Minivijver
Probeer een oude ton op de kop te tikken, zaag deze doormidden en graaf een van de helften half in de grond. Laat de vochtige grond het hout van de ton niet uitzetten, waardoor deze waterdicht wordt, maar koop een metselkuip van plastic en plaats deze in de tonhelft. Het vat doet nu dienst als overstort voor een teveel aan (regen)water. Vul de kuip met water. Plaats er bijvoorbeeld een mandje met veenpluis (Eri-ophorum angustifolium) in. In het voorjaar zal het zijdeachtige pluis de ton met een witte wolk bedekken. Zeker als men de regenpijp van een schuurtje boven de ton laat uitmonden, zal de plastic bak in de ton regelmatig overlopen, wat de omgeving moerassig maakt. Op de grens van water en aarde gedijen sommige planten, als slangewortel (Calla palustris) en kalmoes (Acorus calamus) uitstekend. Het zijn juist dit soort bijzondere planten die voor een natuurlijke en fraaie overgang zorgen tussen de waterpartij en de overige delen van de tuin.
De andere helft van de doorgezaagde ton laat zich prima als gewone plantenbak gebruiken. Hierin geplante Oostindische kers en penningkruid (Lysimachia nummularia) geven een waterval aan kleurige bloemen, de hele zomer door!
Een heg met toeters en bellen
Een ideale combinatie vormen zeer vroeg bloeiende bolgewassen en hagen. In de winter, als de haag droog en verdord is, krijgen de daaronder geplante bolgewassen alles wat ze aan zon en water nodig hebben. Sneeuwklokjes, winterakoniet (Eranthis) en crocussen zijn uitermate geschikt om te planten onder een heg. Het zijn immers vroege bloeiers, die de kale haag in het vroege voorjaar kleur geven. Als de bollen aan hun rustperiode beginnen in de zomer, eist de heg op zijn beurt al het licht en water op: een perfecte afwisseling.
Ook in kleur en vorm passen de vroeg bloeiende bolgewassen en vele van de bladverliezende hagen heel goed bij elkaar. Tegen het roestige bruin van de haagbeuk komen de heldergele bloempjes van de winterakoniet heel goed uit. Plant de bolletjes in groepjes. Een ander voorbeeld: het tere wit van de sneeuwklokjes doet de donkergroene in elkaar vervlochten twijgen van de liguster nog donkerder lijken. Ook de opvallende planten van de Trillium-soorten passen met hun kransen van drie bladeren onder de alleenstaande bloemen op de top van elke steel goed onder een heg. Ze vermeerderen zich door middel van wortelstokken en houden van een donkere standplaats, bloeien in april en mei, en worden twintig centimeter hoog. Trillium wordt ook als snijbloem gebruikt.
Sommige hagen, zoals de liguster en de haagbeuk, zijn niet alleen geschikt voor onderbeplanting, maar ook om te laten begroeien met klimplanten. Een klimroos, zoals de 'Zepherine Drouhin', geeft met haar lange, doornloze takken en de roze, zachtruikende rozen een wel heel apart effect aan het donkerbruin van de haagbeuk. In liguster past de Oostindische kers (Tropaeolum) heel aardig. Het zachte groen van deze sterke klimmer contrasteert heel mooi met het donkergroen glanzende heesterblad.
Rozen
Rozen in de tuin vormen een hoofdstuk apart. Vaak worden ze geplant omdat ze er nu eenmaal bij horen, maar dan wordt het - tenminste wat de moderne variëteiten, de grandiflora's, betreft - moeilijk een geschikte toepassing te vinden: deze gedijen alleen onder ideale omstandigheden en dulden nauwelijks de aanwezigheid van andere planten. De wat oudere rozesoorten laten zich echter wel heel goed combineren met andere beplanting.
Neem bijvoorbeeld de Gallica-rozen, die uit kunnen groeien tot twee meter hoge heesters. De bloemen verschijnen in alle tinten rood, van bleekroze tot bijna kastanjebruin. Ze bloeien maar kort, ergens in de zomer, en in de herfst hebben de uitgebloeide bloemen plaats gemaakt voor grote ronde rode bottels.
De egelantier behoort tot de eerbiedwaardigste onder de rozen: Shakespeare werd helemaal lyrisch van de zware zoete geur van een heg van Rosa Eglanteria. Deze roos wordt twee tot drie meter hoog en laat zich heel goed snoeien. Het blad geurt naar rijpe appels, de bloempjes zijn roze en in de herfst is de Rosa Eglanteria overdekt met lange, ovale bottels.
De struikroos, ook wel botanische roos genoemd, is ijzersterk en geheel winterhard. Groot en weelderig als hij is, kan hij solitair worden aangeplant, maar in een gemengde border gedijt hij ook. De struikroos levert een bijzonder kleurig effect op als hij volop in bloei staat. Een goede variëteit is Max Graf, helderroze bloeiend met een gouden hartje. Een ruige roos, die niet hoger wordt dan zestig centimeter en die een uitstekende bodembedekker is.
Ook de hondsroos (Rosa rugosa) kan een aanwinst zijn voor de tuin: hij ruikt lekker, geeft volop bloemen in de zomer, levert prachtige oranje bottels in de herfst en is als heg ondoordringbaar.
Op de Hollandse klei doen rozen het in het algemeen goed en merkwaardigerwijs geldt dat ook voor die planten die 'roos' in hun naam dragen, maar die feitelijk geen rozen zijn. Waarom dan niet een rozenperk gemaakt van een behoorlijk aantal echte rozen vermengd met stokrozen (Althea's) waarvan de veelal zachte kleuren zich heel goed laten combineren met die van andere planten met 'roos' in de naam. Aan de achterzijde kan een dergelijke border worden voorzien van de kerstroos (Helleborus niger), waarvan de leerachtige bladeren tenminste in de winter blijven hangen en die in januari haar bleekwitte bloemenkleed ontvouwt in een verder doodse natuur. Het zonneroosje (Helianthum) heeft genoeg aan een klein zonnig hoekje te midden van de echte rozen. Met een beetje durf is er ook vast een plaatsje te vinden voor een groep klaprozen (Papaver). En wat te denken van een hoge Gelderse roos (Viburnum) als achtergrond van het geheel?
Fleurig zomergoed
Zomergoed is in april en mei te kust en te keur te koop. Lobelia's, salvia's, afrikaantjes, tabaksplanten en petunia's worden dan overal tegen aantrekkelijke prijzen aangeboden. Voor de balkontuin is dit hèt plantmateriaal bij uitstek; voor de wat grotere tuin vormen deze eenjarigen een welkome aanvulling op de reeds bestaande beplanting.
Eenjarigen zijn heel goed toe te passen om een lege plek in de border op te vullen. Let er dan op dat zowel de vorm als de kleur van de zaaibloemen - dat zijn tenslotte de meeste eenjarigen - goed aansluit bij de bestaande vaste planten. Vul de lege plekken met een flink aantal eenjarigen; het liefst met een kleine plantafstand, zodat ze de oppervlakte snel bedekken. Regelmatig water geven hoort erbij om de aansluiting tussen het wortelkluitje en de bodem vlot te laten verlopen. Strooi wat mulch rond de plantjes. Dit geeft een zeer verzorgde indruk en voorkomt dat de bodem te snel uitdroogt. Let wel op slakken.
Ook de pas aangelegde tuin leent zich heel goed voor het aanplanten van grote hoeveelheden eenjarigen. De border heeft de eerste maanden meestal de aanblik van een verzameling stokjes en wat pril groen. Ook de heesterborder doet in de pas aangelegde tuin uiterst iel aan. Eenjarigen brengen dan kleur: plant brede stroken tussen de heesters vol met groepen afrikaantjes. De vrolijke oranje-gele bloemen leiden de aandacht van de nog stakerige heesters af en houden bovendien luizen op een afstand. Spit in de herfst de uitgebloeide plantjes tussen de heesters: ze vormen een prima bemesting van de bodem.
In de zomertuin met z'n bloeiende borders en geurende heesters hoort eigenlijk hier en daar een woest boeket uitbundig bloeiende zomerbloemen te staan. Plant daartoe in een zonnig hoekje wat uitgezaaide violieren en gipskruid. Snijd de bloemen kort voor de bloei af, zet de bijna zeventig centimeter hoge bloemstelen met wat gipskruid in een emmer en plaats dit wild geurend boeket op een opvallende plaats. Een voorwaarde voor lange zoete zomeravonden op een met geuren doordrenkt terras.
Klimmers
Tot de echte gebruiksplanten behoren de klimplanten. Ze nemen door hun verticale groei weinig bodemruimte in en lenen zich uitstekend voor het camoufleren van lelijke doch noodzakelijke bouwsels. De vaak weelderige klimplanten voegen soms een fotogeniek element toe aan oude vervallen schuurtjes.
Voor het verbergen van stuitend kale schuttingen, lege muren en de soms onvermijdelijke betonnen droogpalen leent de groenblijvende klimop (Hedera) zich bij uitstek. Gewapend met allesdoordringende wortels is de klimop verzekerd van een stevige verankering in hout en steen. In de loop der tijd vervagen de eertijds strakke lijnen van het bouwsel tot de vloeiende rondingen van de volwassen klimop. Een prima onderkomen voor het echtpaar mus, merel en vink.
Ook de kamperfoelie is een niet-veeleisende klimplant, die houdt van zon, maar ook halfschaduw kan verdragen. Hij doet het prima tegen een muur, maar laat zich langs een schutting letterlijk goed om de tuin leiden.
Een winterjasmijn (Jasmimum nudiflorum), de rankende hydrangea (Hydrangea petiolaris) en de wilde wingerd (Parthenocissus tricuspidata Veitchii) zijn uitstekende klimmers voor een muur in de schaduw. Plant aan de voet van de winterjasmijn wat witte narcissen. Met enig tuiniersgeluk bloeien de blonde narcissen tegelijk met de gele trompettertjes van de winterjasmijn.
Druiven combineren schoonheid met culinaire genoegens. In het voorjaar staat de druif plots na een zacht meiregentje vol in het blad. Achter dit fraaie frisgroene bladerdek rijpen in de zomermaanden de druiven. Mits de trosjes gekrent zijn en voldoende licht gekregen hebben door uitlopers regelmatig weg te breken, levert de moderne buitendruif (bijvoorbeeld: 'Witte van der Laan') heel volwassen druiven. Niet-gekrent levert de tros meestal minuscule mierzoete druifjes op.
Klimmers kunnen ook horizontaal geleid worden: hoog, bijvoorbeeld over een pergola òf over de grond, waar ze als bodembedekker toegepast worden. Voor de echt grote pergola is de inheemse bosrank (Clematis vitalba) heel geschikt. Deze groeit als kool, bloeit met kleine roomwitte bloempjes en geeft grappige pluisbollen als herfstgeschenk.
Ook bomen kunnen als drager van klimplanten dienen: een kamperfoelie (Lonicera) en een oude hoogstam-fruitboom verdragen elkaar uitstekend. Sommige klimrozen, zoals de Zepherine Drouhin, laten zich mengen met een andere klimmer, de blauwe regen (Wisteria) bijvoorbeeld. Ronduit prachtig zoals die twee-eenheid dan in het voorjaar bloeit en geurt met de roze rozen en de blauwe bloemtrossen van de Wisteria.
Bodembedekkers
In principe is het grondoppervlak in de natuur bedekt. Bomen, struiken, kruiden en grassen laten geen stukje grond vrij. In het voorjaar, als de dagen lengen en de zon aan kracht wint, begint het groeiseizoen. De bodembedekkende planten zijn de eerste die hun blad ontwikkelen en tot bloei komen. Deze lentebloeiers profiteren van de eerste zonnestralen en van het feit dat hun bovenburen, de heesters en bomen, veel trager in blad komen en zo het licht ongehinderd laten passeren.
Voor velen vormt de komst van de eerste goudgele bloempjes van het bodembedekkende speenkruid het begin van de lente. Het speenkruid behoort met de boterbloem tot de familie Ranunculus, is zodevormend en het sap is giftig.
Aanvankelijk duiken de gele vlekken hier en daar op, waar het speenkruid net ietsje meer zon krijgt dan op andere plaatsen; een paar dagen later straalt het bijna lichtgevende geel overal vandaan de zon tegemoet. Grappig, zoals de bloemhoofdjes van het speenkruid met de zon meedraaien en 's avonds de bloemen sluiten, net als de madeliefjes. Helemaal fraai is de combinatie van het heldergeel bloeiend speenkruid met het tere wit van bloeiende crocussen. Beide verwilderen prima onder een paar grote heesters. Overduidelijk aanwezig zijn ze in het voorjaar; na de bloei trekken ze zich bescheiden terug in de schaduw van de bebladerde heesters.
Ook in de tuin zijn bodembedekkers een zinvolle zaak: het totaal aan planten wordt gevarieerder en waar een bodembedekker groeit, groeien bijvoorbeeld minder snel ongewenste grassen. Plaatsen waar bodembedekkers groeien, zijn nagenoeg onderhoudsvrij.
Tot de bekende bodembedekkers behoren bonte dovenetel, vergeetmenietje, vrouwenmantel en hosta. Neem echter ook eens de witte en de paarse dovenetel, witte en paarse als bodembedekker of het als lastig onkruid bekendstaande draadereprijs met zijn talloze minieme blauwe bloempjes op die griezelig dunne steeltjes.
Speenkruid, maarts viooltje en dovenetel als bodembedekkers behoeven jaarlijks enige aandacht doordat deze planten sterk uitstoelen. Alle houden van een koele, vochtige plaats in de halfschaduw. Door deze kruipers te planten op plaatsen waar het in de zomer niet zo vochtig is, houdt men ze echter goed in de hand.
Goudgele zonnebloemen
Heldergeel tot bijna-oranje bloeien ze in de nazomer. Enigszins voorover geknikt hangen de ruim dertig centimeter grote bloemen aan de toppen van de bijna twee meter hoge en harige stengels van de zonnebloemen. Prachtige planten zijn het, met fraaie geelgerande schotels, waarvan gezegd wordt dat ze met de zon meedraaien. Jammer dat het niet zo is.
Zonnebloemen passen eigenlijk in elk tuinontwerp. In de pas aangelegde tuin, waarvan de heesters en de vaste planten nog nauwelijks boven het maaiveld uitsteken, zorgt een paar vierkante meter zonnebloemen letterlijk voor volume. Echter ook in de volwassen tuin passen zonnebloemen heel goed, bijvoorbeeld op de grens tussen de border met vaste planten en de achtergrondheesters. In het najaar, als de onderste takken van de heesters dunner lijken te worden door een aarzelend begin van bladval, zorgen de frisgroene stevige stengels van zonnebloemen aan de heesterrand voor een succesvolle camouflage. Een rij van die grote groene knapen als begrenzing van de groentetuin staat ook heel verzorgd. Uiteraard moeten de zonnebloemen dan een plaats op het noorden krijgen, zodat ze geen zon wegnemen van de groentetuin.
Zonnebloemen kunnen in ons land zo'n twee meter hoog worden. De groei-omstandigheden (bodem, licht en water) bepalen dat. Het hoogterecord wereldwijd voor de zonnebloem is zesenhalve meter!
Zonnebloemen houden van een vruchtbare, maar niet te droge bodem op een zonnige standplaats. De plantafstand is dertig centimeter. Uitzaaien kan eind april of begin mei rechtstreeks in de koude grond. Staan de planten op een winderige hoek, steun ze dan met tonkinstokken of span een horizontale draad, waaraan de stengels kunnen worden opgebonden.
Hang uitgebloeide zonnebloemen te drogen in een hoek-je van de schuur. In december zijn de zonnepitten voldoende gedroogd om ze aan draad te rijgen als voedsel voor koolmezen. Neem een niet te dunne draad, want ook veldmuizen lusten de pitten graag. Kijk er dus niet vreemd van op als op een winternamiddag tegen het invallen van de duisternis er plotseling een muisje balancerend op de rijg-draad naar de zonnepitten op weg is. En vergeet vooral niet zelf wat van het zaad te bewaren voor het volgende jaar.
Laat de stengels van de uitgebloeide zonnebloemen ergens onder een heester drogen; aan het begin van het nieuwe jaar zijn ze gortdroog en ideaal om als aanmaakhout te dienen voor houtkachel en open haard.
Kleuren in de herfsttuin
Hoe groter de overgang van zomer naar winter, hoe kleuriger de herfsttuin. Lang niet alle herfsten kenmerken zich door hevig blozen van het gebladerte. Een natte zomer die onmerkbaar overgaat in een regenrijke herfst, levert geen kleurrijk herfstspektakel. Een warme droge zomer echter, gevolgd door koele nachten in september en oktober, is de beste voorwaarde voor een najaar vol kleur.
Een tuin aanleggen alleen voor het kleurenfeest van de herfst is overdreven, maar rekening ermee houden is heel goed mogelijk. Een paar heesters van de kardinaalsmuts (Euonymus) te midden van de achtergrondbeplanting staan borg voor helder rood tussen het afstervend groen in oktober. De grappige oranje vruchtjes zijn een verrassend detail voor de oplettende tuinier.
De tulpeboom (Liriodendron) is op zich al een aparte verschijning met de handvormige, stevige bladeren en de geelgroene bloemen. Staat hij alleen op een grasveld, dan contrasteert de lichtgroene kleur van het bladerdek met het diepgroene gras. In de herfst wordt het blad van de tulpeboom glunderend goudgeel. Een fraai gezicht, totdat de eerste herfststorm er een abrupt einde aan maakt. In een bostuin met krenteboompjes en beuken kan het tere, transparante geel van het blad van het krenteboompje (Amelanchier) helder afsteken tegen de achtergrond van een door de zomerzon roodbruin gestoofde beuk.
De herfst is de glorietijd van de sierappel (Malus). Dit geslacht van veelal kleine bomen is zeer geschikt voor de tuin en wordt vooral aangeplant om de uitbundige bloei, de appeltjes en de rode of oranje kleur van het blad in het najaar. De fluweelboom of azijnboom (Rhus) werd een tiental jaren geleden veel om z'n prachtige herfstkleuren in menig tuinontwerp toegepast. Echter, de vrijwel onuitroeibare uitlopers van deze snelgroeier hebben hem beduidend minder populair gemaakt. Plant daarom een goed gewortelde uitloper van de fluweelboom in een oude kuip; daardoor blijft de plant klein en zijn de wortels beheersbaar. De mooiste herfstkleuren geeft de Rhus glabra.
De druif is in alle seizoenen een dankbare tuinplant. Ook in het najaar, als de grote bladeren dieprood verkleu-ren, draagt de druif bij aan het kleurenfeest in de herfsttuin. Op een herfstavond zullen de bladeren één voor één op het zuchtje wind dat de eerste vorst aan de grond aandraagt, neerdwarrelen.
Besdragende heesters
November is de tijd van bessen en diepe herfstkleuren. Als depressies van de Atlantische Oceaan wind en regen over het landschap jagen, komen vanuit de kalende takken de bont gekleurde bessen te voorschijn.
Het is dan de tijd om - als de bessen goed zichtbaar zijn - een aantal besdragende heesters te planten. Naast de sierappel, die met z'n rode of gele vruchtjes aan de ranke takken een verder somber groene heesterborder helemaal op kan fleuren, zijn er nog tal van andere interessante besdragende heesters. Hulst, kamperfoelie, Gelderse roos, vuurdoorn, kardinaalsmuts en de sneeuwbes zijn heesters waarvan de bessen oude bekenden zijn. Iets bijzonders is een van de soorten van de dwergkwee, (Chaenomeles japonica) waarvan de fraaie gele vruchten ook een aangename geur verspreiden. Deze dwergkwee laat zich heel goed langs een muur of over de grond leiden. Plaats hem bij huis: in het voorjaar geniet men van de helderrode bloemen, die op de nog bladloze takken bloeien; in de herfst van de grote gele vruchten, die op rustige herfstavonden hun mistig aroma verspreiden.
Plant de besdragende heesters voor een groep groenblijvende coniferen, zodat de kleur van de bessen het best tot zijn recht komt.
Voor de vogelliefhebber zijn rozen uit de Rosa rugosa-familie een kostbaar bezit: in het najaar, wanneer de rood-oranje bottels van de rozen rijp zijn, komen daar de groenlingen en andere vinken massaal op af. Wil men echter zelf genieten van de rozebottels, plaats dan de rozen dicht bij huis, waar veel gelopen wordt. Dit houdt de vogels de eerste maanden weg, tot er in februari een voedselschaarste voor de vinken optreedt.
Plannen met het oog op de winter
In het voorjaar en in de zomer is de tuin op z'n mooist. Alles is vol in het blad en de ene na de andere heester staat volop in bloei. De winter is de rustperiode van de meeste tuinplanten; het is vaak winderig en nat en veel meer dan de kale takken van de bomen en heesters is er niet te zien.
Bij de inrichting van de tuin kan echter heel goed rekening gehouden worden met de aanblik ervan in de winter. De wintertuin kan de uitbundige zomertuin niet evenaren, maar de rust ervan kan uitgebuit worden. Door groenblijvende heesters en coniferen in groepjes tussen de bladverliezende struiken in de heesterborder te planten, krijgt de border in de winter een totaal ander aanzien. In de zomer behoren deze groepjes groenblijvers tot de achtergrondbeplanting, maar in de winter komen ze geheel tot hun recht.
Tot de groenblijvende heesters die zich hiertoe heel goed lenen behoort de hulst (Ilex aquifolium), die zich bovendien ook gemakkelijk in een bepaalde vorm laat snoeien. Een drietal kegelvormig gesnoeide hulsten verleent een verder kale heesterborder een zeer verrassend accent. Ook de Ligustrum ovalifolium, een van de ligustersoorten, behoort tot de groenblijvende heesters, omdat deze soort pas als het nieuwe blad verschijnt het oude blad laat vallen. Deze soort wordt veel als heg toegepast, maar is ook heel geschikt om op een natuurlijke wijze een lelijke muur, schutting of de composthoop aan het blikveld te onttrekken.
Voor de wilde tuin is de Mahonia aquifolium een dankbare heester. In de winter wordt het glanzend groene blad bronskleurig en verleent het de tuin door z'n sprieterige en vaak verwaaide uiterlijk een wilde schoonheid.
Coniferen komen van nature niet voor op kleigronden, de grove den (Pinus sylvestris) en de zwarte den (Pinus nigra) uitgezonderd. Op de hoger gelegen kalkrijke zandafzettingen in onze delta, die het gevolg zijn van oude grote dijkdoorbraken, worden deze grote dennen wel aangetroffen. Indien er ruimte voor is, vormen deze grote bomen een heel mooie en windvaste achtergrondbeplanting in de heesterborder.
Zorg ervoor dat de aandacht op een natuurlijke wijze naar de groenblijvende heesters wordt getrokken, bijvoorbeeld door sneeuwklokjes en kerstrozen (Helleborus niger) onder of bij deze heesters te planten.
Sommige heesters hebben een regelmatige opbouw van de takken. In de zomer is dat niet zichtbaar; in de winter kan de fraaie structuur die de zwarte takken vormen echter heel mooi afsteken tegen een witte muur.
Het gras na de winter
Grauwbruin oogt het gazon na een vorstperiode. Hobbelig door het ongelijk opvriezen van de grond en hier en daar torent er zelfs ook nog een molshoop bovenuit. Het enig overgebleven groen blijkt bovendien mos te zijn. Tijd dus voor een tuintechnische ingreep.
Het herstel van de grasmat gebeurt in de eerste plaats door de natuur zelf: het gras begint vanuit de wortels onder invloed van de langere dagen en de hogere dagtemperatuur in maart te groeien. Onder de graszoden heropenen de mollen de jacht op de regenwormen en het mos bindt de strijd aan met het gras om de ereplaats in het gazon.
Met een zware rol op een niet te natte of te droge ondergrond wordt de grasmat geëgaliseerd. Bovendien wordt zo de graszode opnieuw stevig aangedrukt. Grote oneffenheden worden door het rollen niet gecorrigeerd. Kuilen werkt men weg door de zoden los te maken en de ondergrond aan te vullen met aarde. Bobbels effent men door in de grasmat een H-vormige snede te maken, vervolgens de zoden opzij te rollen en het teveel aan aarde eruit te scheppen.
Door het grasveld goed aan te harken verwijdert men al het afgevroren oude gras, mossen en kruipende onkruiden. Door gaten in de zode te prikken wordt de afwatering verbeterd en brengt men lucht bij de wortels. Met het doorsnijden van de bovenzijde van de grasplag combineert de verticuteerhark het verwijderen van kruipende onkruiden en het beluchten.
Een royale hoeveelheid kunstmest in maart doet de groei van het gras met sprongen toenemen, zodat de onkruiden door het oprukkende gras verdrongen worden. Anderhalve tot twee kilo mengmestkorrels (N.P.K. in de verhouding 12/10/18: 12 delen stikstof, 10 delen fosforzuur en 18 delen kali) per 100 m2 moet genoeg zijn. Het kan geen kwaad in mei of juni nogmaals zo'n zelfde hoeveelheid kunstmest te geven.
Mollen verjagen uit het gazon is niet altijd even gemakkelijk; een molleklem kan uitkomst bieden. Een molvriendelijker methode is de vangbuis, die in een van de mollegangen geplaatst wordt en waar vriend mol argeloos in loopt, maar niet uit kan. Laat de mol los ver van het gazon. Probeer de door de mol opgeworpen aarde van de molshoop voorzichtig terug te scheppen in de aan de oppervlakte gekomen mollegang en druk de graszode goed aan.
Onkruid
Het lijkt wel of de ongewenste planten in de tuin sneller groeien dan de gewenste. Schoffel ze niet weg, maar trek de gehele plant er met wortel en al uit. Een dag na een fikse regenbui gaat het wieden het vlotst: de wortels laten dan gemakkelijk los uit de nog vochtige aarde.
Spitten
Fanatici spitten in de herfst de aarde tussen de vaste planten en de heesters. Om de structuur van de grond te verbeteren, want de grote blokken klei regenen en vriezen in de winter stuk tot rulle aarde. Nadelen van deze drastische methode zijn dat bollen, die in de herfst op een comfortabele diepte in de aarde verscholen zijn, onherroepelijk worden opgedolven en dat de vorst in de grond tot bij de wortelstelsels van heester en vaste plant kan doordringen. Beter is het te zorgen voor een hechte en dichte bodembeplanting, waartussen de weinige zichtbare aarde in herfst en voorjaar slechts licht losgeschoffeld wordt.
Gestrooide compost kan - als men de schop echt niet kan laten staan - voorzichtig ondergespit worden. Bedenk dat de bodem van een goed bemeste tuin nauwelijks een mechanische bewerking behoeft. De regenworm en ander florerend bodemleven nemen graag de verzorging van de grond op zich.
Voorkomen van windschade
De wind kan behoorlijke schade aan de opschietende loten van de vaste planten aanbrengen. Vooral de hoge planten als de grote ridderspoor (Delphinium) en gele toorts (Verbascum) met hun zware bloemhoofden hebben al vroeg een steun nodig. Ondersteun de bloemstengels voordat de helft van de uiteindelijke hoogte bereikt is. Plaats een tonkinstok of een stuk van een bonestaak naast de plant in de grond. Bind een touwtje met een lus zowel om de stengel als om de stok en laat ruimte voor de groei. Als de planten hoger worden, bind ze dan om de vijfenveertig centimeter op.
Grote pollen margrieten, duizendblad (Achillea) en andere hoogopgaande bossige vaste planten hebben in de loop van het groeiseizoen ook vaak een steuntje nodig om te voorkomen dat ze platwaaien of uit elkaar vallen tijdens een zomerstorm. Rijshout, dat rondom de pol in de grond is gestoken, vormt een natuurlijke steun voor de stengels. Ook een viertal tonkinstokken, die onderling verbonden zijn door opbindtouw, vormen een goede manier om de kracht van de wind te keren. Zelfgevlochten ringen van stro om de stengelbossen bijeen te houden, kunnen een heel apart effect geven.
Een geheel andere wijze van ondersteunen is grofmazig kippegaas over de vaste planten te leggen. De stengels groeien erdoorheen en ondersteunen elkaar. Een aantal stevige stokken geplaatst midden in de pol met gaas voorkomt dat de plant in z'n geheel omwaait. Trek het gaas regelmatig tot tweederde van de totale hoogte op als de plant doorgroeit.
Stormschade en snoeien
Elk seizoen kent z'n stormachtige dagen; herfst- en winterstormen zijn berucht om hun heftigheid. Veelal is er van schade in de tuin weinig sprake. Soms blijkt echter bij een nauwkeurige inspectie dat de door de stormen aangerichte schade toch aanzienlijk kan zijn. Vooral de groenblijvende heesters en de coniferen hebben het vaak zwaar te verduren. Menige heester en boom is scheefgewaaid, met een beschadigd wortelgestel tot gevolg.
De wonden van de beschadigde heesters en bomen als gevolg van weggerukte takken moeten afgewerkt worden; daartoe worden eventuele takresten weggezaagd en de wonden krijgen een behandeling met een wondbalsem, die voorkomt dat schimmels en ziektekiemen binnendringen. Is de vorm van de beschadigde heester of boom door het verlies van een of meerdere takken verloren gegaan, dan kan een voorzichtige snoei het evenwicht in het takkengestel herstellen.
Scheefgewaaide coniferen kunnen rechtgezet worden. Diep daartoe het oorspronkelijke plantgat uit, trek de conifeer overeind en vul het plantgat ruim met water en de uitgeschepte grond. Om te voorkomen dat de conifeer bij de eerste de beste bries opnieuw onderuitgaat, plaatst men er een stevige paal bij en bindt de conifeer hieraan vast.
Het snoeien van heesters en vruchtbomen in de tuin behoort elk jaar tot de echte voorjaarswerkzaamheden. Snoeien is vaak nodig: soms zijn de heesters te groot geworden, de botanische rozen te wild of te rommelig en vruchtbomen geven alleen dan veel fruit, als de bomen gesnoeid zijn. Bramen en frambozen moeten in hun groeiwijze begeleid worden.
Voor er gesnoeid wordt, moet er goed gekeken worden hoe het resultaat moet zijn. Overwoekeren de heesters elkaar of nemen laaghangende takken van heesters het licht van de vaste planten weg? Bloeien de botanische rozen uitsluitend aan de bovenkant?
Allemaal zaken die door middel van snoeien gecorrigeerd kunnen worden. Met het beeld van het eindresultaat voor ogen is duidelijk wat er aan takken weggenomen kan worden.
Om te beginnen wordt uit de te snoeien sierheesters en botanische rozen het oude hout geknipt: deze takken zijn herkenbaar aan de grillig vergroeide vorm en het verweerde uiterlijk. De vorm van de plant verandert door het weghalen van dit oude hout. Door hier en daar nog een tak weg te nemen, wordt de vorm benaderd die men van tevoren bepaald heeft. Door alle heesters op deze wijze terug te snoeien, komt het geheel, ook van rozen en vaste planten, weer in evenwicht.
Bij de frambozen en bramen moeten de oude takken worden weggeknipt; de in het voorgaande seizoen gevormde scheuten zijn de vruchtdragers van het komende seizoen.
Fruitbomen snoeien is een vak apart; leuk om te doen, maar het vereist een ervaring van jaren om het werk met inzicht te kunnen uitvoeren, zodat de fruitopbrengst groot zal zijn. De paar fruitbomen in de tuin kunnen echter best zelf gesnoeid worden, als op het volgende gelet wordt: lange twijgen, de 'waterloten', groeien vaak recht omhoog; hier-aan komt geen bloesem, dus ook geen fruit. Knip deze twijgen zo dicht mogelijk aan de stam weg. Zorg voor licht in de kroon; snoei zo nodig de bovenste takken uit de boom, vlak boven een dunne zijtak. Deze zijtak wordt de nieuwe kroon. Licht en lucht hebben nu volop toegang. Zorg ook voor een evenwichtige verdeling van de zijtakken rond de stam. Kort te lange takken tot tweederde van de lengte in; de tak is nu beter in staat het gewicht aan vruchten te dragen. Verwijder altijd door ziekte aangetaste takken.
Als het snoeiwerk goed is uitgevoerd, blijkt dat er een heel aardige vorm in de fruitboom is gekomen.
Helaas laten niet alle vruchtbomen zich gemakkelijk snoeien: pruimen, kersen en abrikozen behoren tot de moeilijker te snoeien soorten.
Een snoeicursus of een paar dagen in de leer gaan bij een fruitteler geeft veel inzicht en maakt de hand die de snoeischaar hanteert minder onzeker!
Gooi niet alle gesnoeide boom- en heestertakken weg. Zet een mooie bos van snoeitakken bij elkaar in een vaas op een lichte plaats in de kamer. Na een paar dagen lopen enkele takken uit, en een fraai voorjaarsboeket is het onverwachte resultaat van een middagje snoeien.
Over snoeien II
De koele dagen in januari en februari zijn bij uitstek geschikt om heesters en bomen te snoeien: de houtgewassen zijn in rust en op de soms licht bevroren aarde is het goed werken.
Snoeien is nodig om de produktie van bloemen en/of vruchten te verhogen of een verkregen vorm van heester en boom te handhaven. Bovendien snoeit men om de plant gezond en energiek te houden.
Er is een aantal zaken rond het snoeien die een ieder die de scherpgeslepen snoeischaar ter hand wil nemen, moet weten:
In praktijk komt het erop neer dat uit heesters het oude hout wordt weggenomen, zodat jonge uitlopers de ruimte krijgen. De kern van de heesters wordt door het snoeien van enkele opgaande takken weer toegankelijk gemaakt voor licht en lucht. Bij sierbomen moet men omzichtiger te werk gaan: de vorm van de boom moet behouden blijven. Ingrijpen moet beperkt blijven tot wat licht snoeien om de kruin open te houden, en het wegnemen van hier en daar een tak. Behandel de wonden met een wondafdekmiddel: het beschermt de boom tegen het binnendringen van schimmels, parasieten en ziektekiemen. Wordt de sierboom echter te groot voor de tuin en wil men hem toch graag behouden, dan dient men zich voor het betere snoeiwerk tot een vakman te wenden.
De tijd voor het snoeien van heesters die bloeien op de scheuten van het voorgaande groeiseizoen is nu min of meer aangebroken. Direct na de bloei kunnen bijvoorbeeld de forsythia, brem (Genista), Prunus triloba cistena (die al vanaf eind januari bloeit!) en de ribes gesnoeid worden. Verwijder daartoe het oude hout om ruimte te maken voor jonge scheuten vanaf de grond.
Eind maart, als de kou ook uit de bodem weggetrokken is, is de tijd aangebroken om de rozen te snoeien. Verwijder het dode hout, snoei terug op drie of vier naar buiten gerichte knoppen op de sterke takken. Verwijder loten vanuit de onderstam. Houd het centrum van de roos vrij.
Zorg voor degelijk en scherp snoeigereedschap. Bot gereedschap kneust de takken en laat lelijke wonden achter. Er zijn twee typen snoeischaren: het snavel- en het aambeeldmodel. Bij de laatste eindigt de snijbeweging van het snijblad tegen het 'aambeeld'; de messen van het snaveltype maken een scharende beweging langs elkaar. De rolwerking van het aambeeldmodel is minder dan die van het type snavel. Deze laatste is daarom geschikter voor harder hout. Heel gemakkelijk is ook de snoeischaar met verlengde armen, waardoor zelfs dikke takken op onmogelijke plaatsen gemakkelijk kunnen worden gesnoeid. Voor de heel zware takken is een boomzaag onontbeerlijk.
Een jaar of twintig geleden was het zo simpel: in het voorjaar bracht een boer uit de omgeving desgevraagd een kar met verteerde oude mest. Een deel ervan werd tussen de rozen ondergespit, een deel werd bij de heesters en vaste planten geschept en de rest werd heel fijn over het gazon verdeeld. Een paar maartse buien waren voldoende om de mestgeur te verdrijven.
Nu ligt het allemaal anders: mestvaalten maken geen deel meer uit van de moderne agrarische bedrijfsvoering, zodat stalmest rechtstreeks betrokken van de boer als bemesting voor de siertuin niet meer beschikbaar is.
De hedendaagse drijfmest is als alternatief uit praktisch oogpunt ongeschikt voor de tuin.
Niet dat oude stalmest zo'n ideale bemesting was: vele graszaden bleken de koeiemaag overleefd te hebben en op vruchtbare klei behoefde het stikstofgehalte eigenlijk geen aanvulling. Door onvolledige vertering ontstond er nogal eens ammoniak en dat deed de bodem verzuren.
Bemesten op z'n tijd is echt nodig; niet in de herfst, want dan is het ook voor de natuur moeilijk slapen gaan met een volle maag. Juist door een herfstbemesting komen de heesters niet aan verhouting van de twijgen toe, wat de kans op schade bij vorst doet vergroten. Een mestgift bij de rozen in het najaar doet deze snel uitlopen en dan is één nacht met vorst aan de grond voldoende om het te vroeg ingezette groeiproces letterlijk in de kiem te smoren.
Naast een bemestingsadvies verkrijgbaar bij de meeste tuincentra kan men zelf door goed observeren ook een heel eind komen met het vaststellen van de optimale samenstel-ling van bemesting.
Bepaalde planten hebben een duidelijke voorkeur voor hun omgeving: zo groeien berken en lijsterbessen van nature graag op een arme ondergrond. Komen dergelijke bomen spontaan op in zo'n tuin, dan ligt het regelmatig toedienen van organische mest (bijvoorbeeld met voedingsstoffen verrijkte turf) voor de hand. Komen heggerank, bosaardbei en muurpeper veel voor, dan duidt dat op de aanwezigheid van kalk in de bodem. Een zure grond is weer te herkennen aan het veelvuldig voorkomen van schapezuring, pijpestrootje en muizeoor. Op de rivierklei worden vele hazelaars, meidoorns en haagbeuken geteld; een teken dat de bodem erg vruchtbaar is. De aanwezigheid van de stikstofminnende vlier, brandnetel, nachtschade en ganzevoet betekent dat de bodem een hoog gehalte aan opneembare stikstof bevat. Bemesten met een meststof die rijk aan stikstof is, heeft dan minder zin.
De compost verkregen uit eigen tuin is een ideale meststof, waarop slechts zelden een aanvulling nodig is. Echter, wie aangewezen is op de veelal uitstekende kant en klare produkten van de tuincentra, kan heel goed voor algemeen gebruik gedroogde mest aanschaffen die met plantevoedingsstoffen verrijkt is. Deze mest is gemakkelijk te hanteren en moet tussen de vaste planten en onder de heesters en rozen gewerkt worden. Het gras wordt bedekt met een dunne laag.
Een dosering van één tot twee liter gedroogde mest per vierkante meter is voldoende voor een zomerlang groeien en bloeien.
Gedroogde organische mest laat zich heel goed verwerken: wat mest rondom de basis van de plant of heester is voldoende. De mest hoeft niet in de aarde gewerkt te worden; daar zorgen de regenwormen wel voor.
Compost
Gedurende het groeiseizoen in de tuin ontstaat er altijd veel tuinafval. Uitgeknipte bloemen, onkruid en gemaaid gras vormen vaak zulke grote hoeveelheden, dat het bezwaarlijk is die aan de vuilnisman mee te geven. Ook de hoeveelheid plantevoedsel dat dit tuinafval in zich herbergt, kan een overweging zijn het afval op te slaan en te composteren om het als bemesting voor de tuin geschikt te maken.
Wie een wat grotere tuin heeft, kan veel plezier hebben van een dubbele compostbak; voor de gemiddelde tuin voldoet een compostvat echter ook uitstekend. De compostbak kan van steen of hout vervaardigd worden; de grootte van de bak hangt af van de hoeveelheid afval dat beschikbaar komt. De bak moet rondom gesloten zijn, maar voor de toegankelijkheid aan één zijde min of meer open kunnen. Bij voorkeur wordt de compostbak op een schaduwrijke plaats opgesteld om uitdroging van de inhoud te voorkomen. De compostbak heeft geen bodem: het teveel aan vocht zakt in de grond weg en op deze wijze ontstaat er een levendig verkeer van insekten tussen bak en bodem.
Behalve plantedelen uit de tuin leent keukenafval zich ook prima voor compostering. Men moet dan echter wel over een energieke kater beschikken met een gezonde belangstelling voor ratten en muizen, want die komen, aangelokt door het hoogwaardige keukenafval, graag tafelen op uw composthoop. De grove plantedelen, zoals die van dahlia's, margrieten en dergelijke grote vaste planten moeten in stukken worden gehakt en met het kleinere afval worden gemengd. Af en toe wat natuurlijke mest van kip, koe, paard of geit versnelt de compostering. Dien deze wel met mate toe en vermeng hem goed met het overige afval. Vaak wordt aangeraden de composthoop in lagen op te bouwen, waarbij een laag afval afgewisseld wordt met een laagje aarde. Vooral de activiteit van micro-organismen, zoals schimmels en bacteriën, is verantwoordelijk voor de compostering en de daarmee gepaard gaande verhoging van de temperatuur. Deze organismen gedijen alleen goed bij voldoende zuurstof en vocht. Door de inhoud van de compostbak regelmatig om te scheppen en bij droogte goed nat te maken wordt aan deze voorwaarden voldaan. De temperatuur van de composthoop kan tijdens de compostering oplopen tot zo'n vijftig graden Celsius. Ziektekiemen en kiemkrachtige onkruidzaden worden hierdoor gedood.
Na verloop van een half jaar tot een jaar (afhankelijk van het jaargetijde) is het tuinafval compost geworden en kan deze over de tuin verspreid worden. Nog niet volledig gecomposteerde delen kunnen eruit gezeefd worden; mee verspreiden kan ook: eenmaal in de open lucht verteren deze delen erg snel.
Mooi is een compostbak niet, hoewel zinnig als 'spaarpot van de tuin'. Stel hem dan ook zo mogelijk achter in de tuin op en laat hem begroeien door Oostindische kers (Tropaeolum). De weelderige ranken bedekken de compostbak voor een groot deel en de grote oranje-gele of rode bloemen brengen een onverwacht fleurig accent aan. Spectaculair van aanzien kan de compostbak worden door begroeiing van een pompoen (Cucurbita). Deze sterk kruipende plant heeft zeer veel voedsel nodig, dat ruim voorhanden is in de compostbak. Na de bloei van de grote stervormige oranje-gele bloemen verschijnen in de herfst de kalebassen in allerlei vormen en kleuren. Opgemaakt in een droogbloemenboeket houdt de pompoen de herinnering aan een warme zomer vol kleur tot diep in de herfst in ere.
Slakken en luizen
In het voorjaar lopen sommige vaste planten reeds vroeg uit. Zelfs als de bloei van de meeste soorten nog lang op zich laat wachten, contrasteren de verschillende tinten groen heel fraai met de eerste voorjaarsbloeiers, zoals de uitbundig bloeiende vergeetmenietjes. De jonge uitlopers van de vaste planten moeten nu beschermd worden, vooral tegen slakken. Naaktslakken en huisjesslakken komen in grote hoeveelheden te voorschijn bij koel, vochtig weer en voeden zich voornamelijk met groene plantdelen.
's Nachts doen ze zich te goed aan de jonge uitlopers van de vaste planten en overdag houden ze zich onder bladeren of de grotere kluiten klei schuil. Vooral laaggroeiende vaste planten, waarvan de bladeren de grond raken, hebben hun voorkeur.
Slakken kunnen bestreden worden door ze eenvoudigweg met de hand uit de borders te verwijderen. Ideale bondgenoten bij de strijd tegen de slakken zijn loopkevers, kikkers, egels en spitsmuizen. Lijsters zijn de grootste slakkenverdelgers. Vaak zijn ze dan ook in de tuin te zien, druk bezig huisjes op de stenen van het pad kapot te slaan, zodat ze het binnenste kunnen eten. Verjaag dus deze helpers in de strijd tegen de slakken niet!
Als de slakken vanuit wegbermen en andere grasranden hun opmars beginnen in de richting van de kwetsbare net ontloken vaste planten, is de tijd aangebroken deze bodembewoners te bestrijden. Het strooien van slakkekorrels is een mogelijkheid; ze met de hand verwijderen is beter. Het aantrekken van de natuurlijke vijanden van de slak vormt een heel goed alternatief. Vogels, kikkers en egels eten met graagte slakken. Een sloot of een vijver in de directe omgeving van de tuin garandeert een kikkerpopulatie. Een vogelvriendelijke beplanting met bossige heesters trekt vogels aan. Een egel is echter de grote aanwinst voor de tuin. Slakken vormen zijn hoofdmaaltijd. Vaak is de egel een toevallige gast; geef hem regelmatig een kleine 'snack' in de vorm van wat kattevoer op een schoteltje, en de kans is groot dat hij een vaste bezoeker van de tuin wordt.
In het voorjaar lijkt het wel of de bladluizen op de zachte lentewind mee komen drijven. Bladluizen zijn de meest voorkomende schadelijke insekten in het voorjaar. De groene bladluis wordt het eerst gesignaleerd, meestal op de jonge uitlopers van de rozen, later gevolgd door de zwarte luis. Deze vindt men vaak op de sappige loten van de vlier. Alle soorten luizen leven van het plantesap en veroorzaken vooral aan de groeipunten misvormingen.
Gelukkig kent de bladluis vele natuurlijke vijanden. Allereerst is dat de mens met de bekende gewasbeschermingsmiddelen, maar een grotere vijand is het lieveheersbeestje, dat grote hoeveelheden bladluizen aankan. De larven van de zweefvlieg en de gaasvlieg zijn eveneens grote eters van bladluizen. De zweefvlieg legt haar eieren te midden van een kolonie bladluizen en de gaasvlieg kleeft ze aan de onderkant van een blad. De zweefvlieg lijkt met de borstelig behaarde metaalkleurige romp wat op een spichtig uitgevallen familielid van de wesp. Dit insekt en zijn larven worden aangetrokken door een beplanting van goudsbloemen (Calendula), afrikaantjes (Tagetes) en Oostindische kers (Tropaeolum). De aan de dubbele vleugels zo herkenbare gaasvliegen houden van een dichte begroeiing.
Als de zon dagenlang aan één stuk door aan de hemel brandt en er een schrale wind vanuit het oosten waait, dan drogen de aarde en de beplanting snel uit. Het gras wordt geel, de vaste planten hangen er aan het einde van de dag slapjes bij en de bladgroei van de heesters en bomen verloopt trager.
Vooral jonge beplanting, die zo vanuit de containers in de tuin is gezet, krijgt het bij langdurige droogte zwaar te verduren. De beworteling heeft de sprong tussen de containerkluit en de omgeving nog niet gemaakt en dan is de voorraad vocht snel uitgeput. Water geven is bij grote droogte noodzakelijk.
Sproei niet overdag bij een felle zon: (te) veel van het gesproeide water gaat dan door verdamping verloren. 's Morgens voor dag en dauw is de beste tijd om te sproeien. De beplanting heeft dan voldoende tijd het beschikbare vocht in zich op te nemen en de bodem is tijdens de nacht dermate afgekoeld dat het grootste deel van het water ook in de grond terechtkomt. Deze ideale situatie gaat menig tuinier om het bar vroege uur echter te ver.
Sproei dus dan pas tegen de avond, als het koeler wordt, langdurig rondom de vaste planten, heesters en bomen. Waak ervoor dat de aarde dichtslaat door het water geven: de korrelstructuur gaat dan verloren, waardoor het vocht in de bovenste laag niet goed kan worden vastgehouden. Nadelen van 's avonds sproeien zijn echter dat planten dan vatbaarder voor schimmels zijn en dat er grote aantallen slakken op de klamme aarde verschijnen.
Sproei niet elke dag een klein beetje, maar wekelijks een grote hoeveelheid. Dagelijks gegeven kleine hoeveelheden water dringen de wortels naar de oppervlakte, terwijl één grote diep doordringende plens de wortels in de dieper gelegen lagen houdt waar ze horen.
Elke tuin heeft z'n eigen brekebeentje: meestal een plantje van ver weg of een bijzonder stekje dat voor de eigenaar een speciale betekenis heeft. Het zijn juist deze tere tuinbewoners die tijdens een moment van onachtzaamheid in tijden van droogte het loodje leggen. Graaf naast zo'n plant een poreuze aarden pot in, vul deze dagelijks met water en de aarde rond het troetelplantje zal óók tijdens de grootste droogte vochtig blijven.
Geef de beplanting in potten, kuipen en bakken die de hele dag in de zon hebben gestaan, niet het koude water rechtstreeks uit de kraan. Laat eerst het water een paar uren op temperatuur komen voor het uitgegoten wordt. Ook planten hebben een hekel aan een koude douche!
Lente
Het zachte weer van maart tovert een keur aan bloeiende bollen te voorschijn. De sneeuwklokjes en de crocussen zijn uitgebloeid. De narcissen staan nu volop in bloei en hier en daar zijn al de eerste vroege tulpen te zien. Dit is het moment met al die bloeiende bollen om eens stil te staan bij wat - met het oog op de komende herfst - de beste plaatsen voor bollen zijn en hoe ze geplant moeten worden. Maak dan ook nu aantekeningen voor de bollenaanplant.
Let bij oude boerderijen eens op de enorme hoeveelheid sneeuwklokjes die in een brede strook de grens van het erf bepalen. Ze zijn ooit geplant als enkele bolletjes op een rij en in de loop der tijd zijn ze fors in de breedte uitgestoeld.
Ook de vele parken rond oude kastelen en herenhuizen zijn in het vroege voorjaar een bezoek waard om de verschillende soorten bloeiende bollen, die kleur aan de bodem geven, te bekijken. In veel van deze parken, die al tientallen jaren oud zijn, zijn de narcissen verwilderd. Vaak zijn deze te midden van onder andere groepen blauwe anemonen en voorjaarshelmbloemen geplant en samen stofferen ze heel fraai de parkbodem.
In het voorjaar ontvangen de grote groepen bollen onder de bomen het benodigde licht en water; in de zomerse rustperiode zorgen dezelfde bomen voor schaduw en een droge bodem. Deze natuurlijke wijze van bollenaanplant is ook heel goed in de tuin toe te passen: onder de nu kale heesters en bomen kunnen groepen sneeuwklokjes, narcissen en botanische tulpen goed verwilderen.
Loop ook eens langs een aantal tuinen in de omgeving en let dan op de verschillende vormen van bollenaanplant. Soms is er een randje tulpen te zien of een rij narcissen; soms ook grote groepen tulpen, narcissen, crocussen en hyacinten. Vooral als de bollen rondom een heester of boom zijn geplant, ziet het er heel aantrekkelijk uit!
Bollen hoeven niet per se in de volle grond geplant te worden. Ook een bak met bijvoorbeeld hyacinten heeft een leuk effect. Laat deze in de wintermaanden op een lichte, vorstvrije plaats voortrekken. Plaats zodra het weer dat toelaat de bak met hyacinten op een opvallende plek in de tuin. Door bijvoorbeeld hyacinten met een helderroze kleur te nemen, zullen geur en kleur een ieders aandacht trekken. Zet de bak als de hyacinten uitgebloeid zijn, op een schaduwrijk plekje weg; het loof kan dan ongezien afsterven.
Tulpen, narcissen en andere bolgewassen, die in het voorjaar bloeien, moeten in het najaar geplant worden; een in de herfst bloeiend bolgewas als de herfsttijloos (Colchicum) kan in juni of juli geplant worden. Dit op de crocus gelijkend bolgewas doet het uitstekend onder een heestergroep.
Zorgenkindjes
In de vaak droge periode na de lente wordt met zorg dagelijks de voortgang in de groei van de vaste planten, de heesters en de bomen gevolgd. De ene plant doet het geheel naar verwachting; de ander blijft in ontwikkeling achter. Deze verschillen komen vaak voort uit het wel of niet snel aanslaan van het plantmateriaal. Containerplanten moeten hun fraaie vierkante wortelgestel uitbreiden in de omringende grond. Als deze nu heel anders van samenstelling is dan de potgrond waarin de planten ontwikkeld zijn, dan wil de overstap wel eens wat minder vlot gaan.
Vooral in een periode van droogte vallen niet goed aangeslagen planten snel op: ze hebben eerder last van de droogte, ze groeien niet dóór en lijken sneller bezocht te worden door parasieten als bladluizen. Soms verschaft uitgraven van de 'achterblijver' inzicht in de oorzaak: vaak blijkt inderdaad het wortelgestel zich niet te hebben uitgebreid. Door het plantgat groter te maken, potgrond te mengen met de oorspronkelijke grond en de plant opnieuw te plaatsen, kan deze alsnog aanslaan.
Soms is echter de wortelkluit aangevreten. De larven van de vele soorten vliegen voeden zich met plantewortels. De larven van bijvoorbeeld de langpootmug, emelten genaamd, hebben voorkeur voor de wortels van gras; larven van andere vliegesoorten hebben het juist op de wortels van de vaste planten gemunt.
Sterk aangevreten planten worden niet teruggezet in het plantgat, maar moeten eigenlijk opnieuw worden opgekweekt. Een kasje of een warme vensterbank in de schuur is ideaal; een warm vochtig hoekje in de halfschaduw in de tuin voldoet echter ook uitstekend. Plant de patiënt in goede tuinaarde en zorg voor voldoende water. Plaats er in ernstige gevallen een weckfles overheen, waardoor er nauwelijks water aan de plant onttrokken wordt. En houd slakken uit de buurt.
In zo'n moerhoekje is het ook heel leuk stekjes van een forsythia of toverhazelaar (Hamamelis) op te kweken. Beide heesters lenen zich heel goed voor het maken van 'afleggers': laaghangende takken worden daartoe naar de grond afgebogen. Op de plaats waar een tak de aarde raakt wordt een steen of een schep aarde gelegd om deze op de grond te houden. Aan het einde van de herfst heeft zich op die plaats een aantal wortels gevormd. Knip de tak af en kweek hem in de moerhoek verder op. Met moederdag is zo'n zelf gekweekte forsythia in fraaie pot een leuk geschenk!
Asters: herauten van de herfst
Tot de tuinplanten die eigenlijk nooit teleurstellen, behoren de asters. De familie der asters kent zeer veel vormen en soorten en behoort tot de winterharde overblijvers. De bossige, rijkbloeiende planten met de stevige stengels en lancetvormige of spatelvormige bladeren zijn uitstekende borderplanten. Ze bloeien in overwegend lila en paarse tinten met mooie, stralende bloemhoofdjes.
Vooral in de wat wildere tuinen voldoen asters uitstekend. De lage soort Alpaliaanse aster (Aster Alpellus) is geschikt als randbeplanting. De halfhoge vormen, zoals de scherpe aster (Aster Sedifolius), lenen zich uitstekend als borderplant; de hoge soorten - tot twee meter - voldoen prima tussen de heesters. De glorietijd van de herfstaster begint immers als het blad van boom en heester begint te kleuren. Met de start van de hoofdbloei van de herfstasters luidt dan ook de bel voor de laatste ronde in de herfsttuin. De heldere kleuren van de fijne straalbloemen overstemmen de fleurige herfsttintenfanfare, totdat de eerste nachtvorst daar abrupt een einde aan maakt. De plant zelf is winterhard, de bloemen echter niet.
Tot de èchte Nederlandse herfstaster behoort de nieuwnederlandse aster (Aster novi-belgii): één tot twee meter hoog en volbebladerd staat deze voor de lage landen ontwikkelde pronte deern in menige tuin te pronken. Aangebonden of gesteund met rijshout blijft ze tijdens de eerste herfststorm overeind.
Plant de asters niet op een te donkere plaats; ze worden dan aangetast door meeldauw en hun gebruikelijke frisse uiterlijk gaat verloren. Ook moeten de planten niet te lang op één en dezelfde plaats staan. Eens in de vier à vijf jaar verplanten naar verse grond voorkomt dat de asters reeds vroeg in het seizoen zwarte en verdroogde bladeren vertonen en slechts moeilijk tot bloei komen.
Asters zijn ijzersterke snijbloemen en kunnen wekenlang staan, mits ze regelmatig van vers water worden voorzien.
November
De natuur neemt met de inval van koude lucht uit het noorden afscheid van de zomer en het is nu dan ook de tijd de handen uit de mouwen te steken in de tuin.
Het gras kan voor de laatste maal worden gemaaid. Hark het gemaaide gras en de gevallen bladeren van het gazon. Als de grasmat wordt bedekt door resten afgemaaid gras, dan sterft de graszode daar onherroepelijk af. Zowel gevallen bladeren als afgemaaid gras vormen een uitstekende mulch voor de heesterborder. De mulch voorkomt dat de wortels van de heesters tijdens strenge vorst bevriezen en activeert het bodemleven. De grasplantjes groeien nauwelijks meer en dat geeft de verschillende mossoorten de kans zich te vermeerderen. Laat ze gewoon groeien; eventueel gestrooide kunstmest wordt door het gras niet opgenomen en spoelt alleen maar weg. Door in het voorjaar het gazon een paar keer met kalk en kunstmest te bestrooien verdwijnt het mos.
De vaste-plantenborder kan ontdaan worden van de laatste uitgebloeide bloemen. Laat de afstervende planten zelf staan; ze vormen een natuurlijke bescherming van de plant tegen vorst. Wacht met het scheuren of delen van de vaste planten tot het voorjaar. Menige vaste plant haalt het voorjaar met een zwaar beschadigd wortelstelsel immers niet. De bodem licht omwerken brengt lucht in de grond en verbetert de afwatering. Wat compost tussen de borderplanten voorkomt vorstschade aan de wortelstelsels als de bodem opvriest.
Tot de bloeiers van de late herfst en vroege winter behoort de winterjasmijn (Jasminus nudiflorum). Geleid langs een muur bloeit deze heester heldergeel van december tot en met april. De winterjasmijn stelt weinig eisen aan de bodem en neemt genoegen met een standplaats op het noorden. Na de bloei is sterk snoeien nodig. In december gesnoeide takken kunnen binnenshuis tot bloei worden gebracht. Bedek de voet van de heester met het afgevallen blad van een druif. De diepbruine tinten van de verdroogde bladeren doen de heldergele bloempjes van de winterjasmijn des te beter uitkomen.
Bollen van tulpen, narcissen en crocussen zijn nu volop verkrijgbaar en het najaar is hèt seizoen om ze te planten. Neem bij voorkeur soorten die voor verwildering in aanmerking komen. Deze krijgen een vaste plaats in de tuin, waar ze lente na lente in steeds grotere aantallen bloeien. Plant ze in grote groepen bijeen en geef ze de ruimte.
Potten en hun inhoud hebben het in het najaar en de winter erg moeilijk als ze buiten blijven staan. Stormvlagen doen de potten omwaaien, wat plant en pot geen goed doet. Potplanten zijn meestal niet vorstbestendig en dat geldt ook vaak voor de potten zelf. Vooral terracotta potten vriezen heel snel stuk. Laat de potten en hun inhoud op een koele, doch vorstvrije plaats overwinteren. Een schuur, een zolder of een kas zijn daar uitstekend geschikt voor. Veel water hebben de planten niet nodig, maar voorkom uitdrogen van de wortelkluiten.
Kerstguirlande
Van oorsprong behoren spar (Abies), klimop (Hedera), rozemarijn (Rosmariunus officinalis), laurier (Laurus nobilis) en hulst (Ilex) tot de traditionele kerstversieringen. Deze groenblijvende heesters vormen het christelijke symbool van het eeuwige leven. Een ander groenblijvend heestertje, de maretak (mistletoe), wordt soms ook als kerstversiering toegepast. In het verleden werd deze op bomen parasiterende houtige plant (Viscum album) gemeden door de kerk en als heidens beschouwd. Bij de heidense riten van de Druïden, een broederschap van Keltische wijzen, werd de maretak met zijn vaak gaffelvormige vertakkingen een voorname rol toegedacht.
Een krans staat heel feestelijk, en dat geldt ook voor een streng van groenblijvend blad en kerstversierselen. Gebruik daartoe een zacht touw. Maak vervolgens een grote hoeveelheid kleine bosjes van klimopblad, rozemarijn en laurier. Draai om elk bosje stevig touw of draad, waarbij het laatste stukje touw of draad gebruikt wordt om het bosje aan het basistouw te bevestigen. Verlevendig het geheel met wat droogbloemen, wat hulst en een paar op spelden geprikte paarse bessen van de Callicarpa. Om spiegel, schilderij of venster gehangen draagt de streng bij aan de kerstsfeer.
Een makkelijker manier om een kerstguirlande te maken, is door de lange takken van klimmers of bramen als basis te gebruiken. De ranken van hop, klimop en clematis zijn uitermate geschikt als natuurlijke strengen. Laat het soms nog groene blad en de verdroogde vruchten, zoals hopbellen, en de pluizen van de clematis zitten en voeg natuurlijke materialen als rozebottels, verschrompelde appeltjes of een kleurige vogelveer aan het geheel toe. Vers gesneden rozemarijn zorgt voor geur en symboliseert met frisgroene takjes het nieuwe leven.
Koolmezen in het kraambed
Als duidelijk wordt dat een koolmeesechtpaar een tegen de gevel geplaatste nestkastje verkozen heeft voor het vermeerderen van de soort, begint het wachten en waken voor de vogelliefhebber. Iedereen moet worden gewaarschuwd: fietsen mogen niet tegen de muur gekletterd worden; balspelen dienen tot nader order tot het uiterste beperkt te blijven; slechts gedempt praten in de nabijheid van 'het nest' is toegestaan. Verzoeken tot inspectie van de nestkast kunnen worden als 'onfatsoenlijk' afgedaan. Elke vorm van verstoring wordt vermeden. Bezoek wordt op veilige afstand, waarbij zelfs met de windrichting rekening wordt gehouden, geattendeerd op het koolmeesgezin. De heesters die tot de rustpunten in de aanvliegroute van de koolmezen behoren, worden niet gesnoeid. En de kat moet letterlijk de bel worden aangebonden, zodat hij voor iedere vogel goed te horen is.
Op een ochtend is het dan zover: in plaats van het lawaaierige getjilp uit het nestkastje, komt er gepiep uit de omgeving van het nest. Her en der in de bloeiende vuurdoorn die onder het nestkastje tegen de muur staat, wiebelen de jonge koolmezen op de bloeiende twijgen in de wind. Spannende momenten zijn het voor de koolmeesouders en ook voor degenen die het uitvliegen van de jonge vogels vanachter de heesters volgen. Eksters klapwieken in de omgeving, maar de vuurdoorn is hun toch de dicht en doornig. Katten hebben hun posities ingenomen om als het even kan de jonge koolmezen bij hun eerste onzekere vlucht uit de lucht te plukken. Vaak lukt het de jonge vogels één voor één naar een drie meter verwijderde heester te vliegen; dit tot grote opluchting van de toeschouwers. Binnen een paar uur zijn dan de vogels gevlogen...
De beveiliging van de omgeving van nesten is vaak moeilijk; beter is het een nestkast te plaatsen op een veilige plaats. Muren die begroeid zijn met een vuurdoorn of een braam, vormen een goede beveiliging voor katten en roofvogels als Vlaamse gaaien, kraaien en eksters. Nestkastjes in bomen kunnen beveiligd worden door manchetten van los prikkeldraad om de stam aan te brengen, waardoor het de katten minder gemakkelijk wordt gemaakt in de boom te klimmen.
Borstel een gebruikt nestkastje van binnen schoon en spoel het eventueel uit met een 5%-oplossing Dettol indien men de aanwezigheid van vogelvlooien vermoedt. Alles is dan weer in gereedheid voor een volgend broedsel.
Bloemenweide uit een luciferdoosje
Wie besluit in plaats van een egaal groen gazon een bonte bloemenweide aan te leggen, heeft in het voorjaar zijn kans. Die tijd van het jaar is de periode bij uitstek voor het verkrijgen van andere zaden dan die als weidegrasmengsels te koop worden aangeboden. Het ontbreekt juist in deze mengsels aan de bloemen die de weide zo mooi maken, zoals koekoeksbloemen, margrieten, paardebloemen, boterbloemen en malva's.
Het gekochte mengsel mixen met hooizaad is één manier om het gekochte zaadmateriaal aan te vullen. Het verzamelen van zaad uit de wilde tuin is een andere.
Het is niet altijd een fraai gezicht de uitgebloeide bloemen van de vaste planten en siergrassen te laten staan, maar het is in de wilde tuin heel nuttig. Vooral in deze tuin, waar het menselijk ingrijpen voor een groot deel bestaat uit het scheppen van een voor wilde planten gewenst milieu, heeft het een natuurlijke functie dat planten zich vanzelf elk jaar uitzaaien. Veelal zaaien de tot de wilde tuin behorende planten, zoals korenbloemen, papavers en vergeetmenietjes, zichzelf in die mate uit, dat de verhoudingen tussen de verschillende soorten nauwelijks verandert, ondanks de grote hoeveelheid zaden. Dit dank zij het gevormde natuurlijke evenwicht.
Sommige van deze 'wilde' planten voldoen ook uitstekend in de cultuurtuin als basis voor een bloemenweide. Iets van de overvloed aan zaden kan opgevangen worden; men moet daartoe de stengels met het zaad van de plant afknippen en op een krant laten drogen. Klop het zaad op de krant of in een emmer uit de zaadomhulsels. Bewaar het mengsel van zaden droog en strooi het - na vermenging met het gekochte zaad - in het voorjaar op de gewenste plaats uit.
Een bloemenweide is vooral voor kleine kinderen heel aantrekkelijk. Dat is immers de plaats waar naar hartelust gespeeld kan worden en bloemen mogen worden geplukt. Betrek daarom de kleuter bij de aanleg van de bloemenweide: vertel hem dat er zaden gezocht moeten worden en vraag hem daarvoor te zorgen. Met de aldus zorgvuldig vergaarde zaadjes, aangedragen in een luciferdoosje, wordt een onverwacht element aan de bloemenweide toegevoegd, mits het ontvangen materiaal enige kiemkracht bezit!
Een paashaan
Palmpasen is een mooie gelegenheid om met de kinderen een paashaan te maken ter gelegenheid van Palmpasen, de zondag voor Pasen.
Vroeger op de zondagsschool werd er een flinke partij deeg gekocht; latjes haalde men bij de timmerman en de buxusheggetjes werden geplunderd voor de versiering. Op school bond men de latjes tot een kruis, het deeg werd in de vorm van een haan gekneed en na het bakken op het latwerk gestoken. Een grote rozijn werd het oog van de haan en de buxustakjes fungeerden als staart. Een dikke sinaasappel, die het hele bouwwerk topzwaar maakte, werd erbovenop geprikt. Thuisgekomen bleef de haan twee dagen op de schoorsteenmantel staan en vervolgens werd eerst de sinaasappel en daarna het inmiddels sterk verdroogde brood opgegeten.
Als Pasen vroeg valt, kan de paashaan op z'n voorjaarsvrolijkst worden uitgedost. Twee latjes, een lange van 50 centimeter en een korte van 35 centimeter vormen de basis. Een stukje ijzerdraad verbindt de beide latjes tot een kruis. Maak brooddeeg aan. Vergeet niet de rozijn voor het oog. Moet de paashaan eetbaar blijven, volg dan het gebruikelijke broodrecept en voeg er rozijnen aan toe. Moet de paashaan door beschildering met olieverf extra kleurig worden, voeg dan voor een stevig produkt extra zout en een scheutje afwasmiddel toe. Bindt na het bakken de broodhaan aan het latwerk. Als hanekam kan de rood bloeiende trosbloem van de ribes dienen. Voor de staart van de haan is buxus mooi, maar de nog net bloeiende mimosa-twijgen zijn fraaier.
Versier het overgebleven hout met linten, waartussen narcissen, blauwe druifjes en een enkel tulpje zijn gestoken. Hang aan de uiteinden van de dwarslat een mandarijn aan een lint, papieren bloemen en beschilderde eieren.
Laat de kinderen zo'n prachtig versierde paashaan aan opa en oma geven; voor hen wordt de zoveelste Pasen dan net even wat feestelijker!
Pottenpracht
In juli is de grootste groeikracht uit de tuin verdwenen; de natuur pauzeert na een weelderige bloei in de lente en maakt zich op voor een met fruit overladen herfst.
Midzomer is een rustige tijd in de tuin: de grasmat moet wat bijgemest worden, hier en daar kunnen wat onkruiden gewied worden en indien nodig krijgen de borders water. Nu komen de potten en kuipen met oleanders, fuchsia's en datura's volledig tot hun recht. Deze uitheemse planten lenen zich bij uitstek voor een bijzondere kleureffect, dat de tuin nèt dat gewenste persoonlijke tintje geeft. Potplanten van die klasse horen, gezien hun herkomst, eigenlijk niet in onze streken thuis; echter door ze in fraaie potten te zetten en ze als extra kleuraccent in de tuin toe te passen, zijn het welkome aanvullingen.
Eenjarigen, dahlia's, rozen op stam, en heel veel andere planten lenen zich ook heel goed voor bakken of kuipen. In het zicht geplaatst als de planten in volle glorie staan te pronken en weggezet als de bloei over is, dragen ze bij aan het steeds wisselende decor van de tuin.
Een grote pot, naast de keuken geplaatst en gevuld met basilicum, wat bieslook, lavendel en tijm, ruikt lekker en levert verse keukenkruiden binnen handbereik.
Potten, kuipen en bakken zijn in overvloed te koop: de heel mooie uit de landen rond de Middellandse Zee vormen door hun exotisch uiterlijk een bijna natuurlijke 'verpakking' van uitheemse planten; de strakke grote bloempotten zijn meer geschikt voor rozen op stam of een kunstig geknipte buxus.
Geef de potplanten dagelijks water met eens in de week een toevoeging van vloeibaar plantevoedsel en beschut ze tegen te harde wind. Wees bedacht op een plotseling onweer met hagel en windstoten: hagelkorrels kunnen aan potplanten veel schade toebrengen.
Het vergeetmenietje is tegen de zomer uitgebloeid en afgestorven. Na een regenbui komen overal zaailingen van dit eenjarig kruid op; laat ze op de gewenste plaatsen staan en schoffel de rest weg. Een leuk experiment is het uitzetten van het teveel aan ontkiemd zaad in een of twee grote potten. Zet deze potten weg tussen de heesters en laat ze op een beschutte plaats binnen overwinteren. Lang voor de 'koude grond'-vergeetmenietjes in het late voorjaar bloeien, geven de opgepotte zaailingen al kleur aan de lentetuin!
Heesters in vorm
Vroeger, zo'n vijf eeuwen geleden, waren ze razend populair: de kruidentuinen of 'ricami', zoals de Italianen ze noemden. Een basispatroon, gevormd door een spel van onderling verbonden lijnen van tot hegjes geknipte groenblijvende heestertjes, waarin de tussenruimten opgevuld zijn met kruidenperken. Aanvankelijk waren dat keuken- en medicinale kruiden, later ook bolgewassen en rozen.
Dat grondpatroon was vaak een herhaling van de basisvorm van alledaagse dingen uit de directe omgeving: een sterk uitvergroot weefpatroon of de in elkaar verweven lijnen van het gewelfde plafond van een kerk. En de toenmalige ijdeltuiten herhaalden in de tuin de lijnen van hun familiewapen of de eigen initialen. De bodembedekkende gamander (Teucrium chamaedrys) met zijn altijd groene blad en de geurende lavendel en marjolein (Origanum) waren veel toegepaste heestertjes voor de heggen.
Om het lijnenspel te benadrukken liet men op strategische punten een heester doorgroeien en in een bijzondere vorm knippen: de 'topiary' of vormgegeven heester.
Het palmboompje (buxus sempervirens), een boomachtige heester, zorgde voor een blikvanger: deze prachtige heester met zijn diepgroene blad laat zich heel goed in allerlei vormen kweken. Daar het palmboompje snoeien heel goed verdraagt en erg langzaam groeit, is het voor zeer veel doeleinden aan te wenden, bijvoorbeeld voor de echt strakke heg en bol- en kegelvormen, want geen enkele vorm is de buxus te dol. De buxus sempervirens en de cultivar Rotundifolia met zijn ronde bladvorm zijn zeer geschikt voor een heg en om te kweken als topiary. Voor het verkrijgen van een specifieke vorm is een voorgevormd frame van ijzerdraad noodzakelijk. 'Elegans' is een verder uitgekweekte vorm (cultivar) met witgerand blad en de randpalm (buxus S. Suffruticosa) is een dwergsoort, die niet hoger wordt dan één meter.
De formele tuinen van weleer hebben plaats gemaakt voor die met meer natuurlijke vormen. Toch kunnen vormgegeven heesters, anders dan die in hegvorm, een functie hebben in de tuin. Door bepaalde contouren of patronen uit de omgeving in het tuinontwerp te herhalen, bereikt men een zekere harmonie in wat wellicht anders disharmonieert. Een groepje palmboompjes, waarin de contouren van een naburige silo herhaald zijn, geeft een onverwacht grappig effect. Een groot gazon omzoomd door een haag gekweekt in de vorm van een dikke zware dijk doet recht aan een omgeving van rivieren, uiterwaarden en dijken.
Droogbloemen in een nat jaargetijde
In september kan het 's avonds koud zijn. Het lijkt wel of de lucht helderder wordt en de biologische klok, die het leven bepaalt in de tuin, gaat langzamer lopen. De zomer is voorbij: het ene moment is het nog warm en een volgend ogenblik is het koud en winderig, een voorbode van het weer dat komen gaat.
Er bloeit nog van alles in de tuin: van de uitbundige dahlia's tot en met het tere roze van de Japanse anemonen. En overal in de boomgaarden schitteren de felle kleuren van de rijpe appels.
In de tuin hoeven geen grote dingen meer te gebeuren; het is een kwestie van bijhouden. Beschadigde plekken in de grasmat kunnen nu worden gerepareerd. Uitgebloeide eenjarigen worden verwijderd en de dode stengels uit de vaste planten geknipt.
Met het uitgeknipte dode plantmateriaal zijn prachtige droogboeketten te maken. Lang niet alles is geschikt, maar met wat fantasie is heel veel bruikbaar. De uitgebloeide pluimen van het duizendblad (Achillea millefolium) laten zich uitstekend drogen en vervolgens heel goed mengen met de zilverglanzende judaspenning (Lunaria biennis) en de felrode kelken van de lampionplant (Physalis franchettii). Ook de leuke aartjes van de weegbree (Plantago) contrasteren heel aardig met de gedroogde gele bloemhoofdjes van het boerenwormkruid (Tanacetum vulgare).
Bloemen die speciaal voor droogboeketten gekweekt worden, moeten voor een goed resultaat geplukt worden als ze nog nèt niet open zijn; immers, uitgebloeide bloemen vallen eerder uit. Pluk het te drogen materiaal bij droog weer; dit voorkomt rotting tijdens het droogproces. Wikkel de bloemen in kleine bosjes in papier en hang deze omgekeerd op een niet te warme, donkere plaats te drogen. Na zes weken is het materiaal geschikt voor de vaas.
Met de grote uitgebloeide schermen van de hortensia (Hydrangea macrophylla) zijn prachtige grote boeketten te maken. Vooral de roze bloeiende soort geeft gedroogd een heel mooi resultaat: de afzonderlijke bloempjes waaruit de schermen zijn opgebouwd, krijgen alle tinten van een diep roze tot een zacht bruin. Een grote hoeveelheid bloemschermen bij elkaar geeft een fraai effect. Uiteraard levert één hortensia in de eigen tuin te weinig schermen; bewijs de buren (indien in het bezit van een hortensia en het niet erg vinden als deze gesnoeid wordt!) een dienst: knip ook daar de uitgebloeide bloemen uit de Hydrangea's en vervolmaak daarmee het eigen boeket.
Een kerstkrans uit eigen tuin
In de donkere dagen voor Kerstmis treft men de voorbereidingen voor de kerstdagen. Men koopt een kerstboom of versiert een spar in de tuin.
Ook een kerstkrans aan de deur staat heel feestelijk; kransen, vaak van sparre- of hulsttakken gemaakt, zijn in de handel verkrijgbaar, maar leuker is het de krans zelf te maken van allerlei materialen uit de eigen tuin. Als basis zijn de snoeitakken van de kamperfoelie, wilg en druif heel geschikt. Vooral de laatste laten zich heel goed buigen en geven de krans z'n stevigheid zonder dat het geheel te zwaar wordt. Gebruik de dikkere snoeitakken, ook al voelen ze onbuigzaam aan. Week ze een dag in water en zelfs de dikste takken laten zich vervolgens uitstekend buigen.
Sla vier paaltjes in de grond met een onderlinge afstand die overeenkomt met de gewenste binnenomtrek van de krans. Wikkel de langste van de takken rond de paaltjes en vlecht de overige takken eromheen. Bind zodra de basis van de krans stevig genoeg is, op elk van de vier zijden wat ijzerdraad rond de in elkaar verweven takken, zodat deze één geheel vormen. Haal de paaltjes weg; de samengebonden takken vormen nu een cirkel. Bevestig een haak van draad aan de achterzijde van de krans. Knip uitstekende tak-einden met een snoeischaar weg. Laat verdroogde bladeren en een vergeten trosje druiven hangen.
Steek takjes hulst, spar of die van een andere groenblijvende conifeer in de krans. En voeg daar nog meer bij: wat rood verdroogde bladeren of de helderrode bessen van de Gelderse roos laten zich heel mooi mengen met het groen van de achtergrond. Ook de zwart verkleurde noten van de walnoot of het uit de heg gewaaide mezennest en felgroen mos kunnen een plaatsje vinden in de krans. Het donkergroene kleine blad van de laurier 'Otto Luyken' combineert goed met de oranje rozebottels van de hondsroos.
Een gekleurd lint met een forse strik erin maakt de kerstkrans compleet.
Lente binnenshuis
Het werk in de tuin is aan het eind van het jaar echt allemaal gedaan. Het onkruid is uit de borders verwijderd, de bollen zijn geplant en de vorstgevoelige planten, zoals dahlia's, canna's en tuin- en hanggeraniums (Pelargonium) zijn vorstvrij opgeslagen. De eerste weken van het nieuwe jaar valt er weinig te doen in de tuin. Vaak is de grond ook te nat om erin te kunnen werken en voor de snoei van vruchtbomen en heesters is het rond de jaarwisseling net even te vroeg. Het wachten is op de eerste droge winterse dagen met een waterig zonnetje, nevelslierten hoog in de lucht en lichte vorst in de nacht en ochtend. Het ideale weer voor het omspitten van de grond tussen de heesters. Voor er met het omwerken van de grond begonnen wordt, is het raadzaam de plaatsen waar bollen geplant zijn te markeren. Dit voorkomt dat ook deze omgespit worden.
Rustig midwinterweer is - mits het overdag niet vriest - heel geschikt om de heesters en de vruchtbomen te snoeien. Bovengronds staat de natuur stil; ondergronds echter gaat het groeiproces voort: de in de herfst geplante bomen en heesters wortelen dieper in de nog niet geheel afgekoelde aarde. Binnenshuis is het mogelijk de natuur een handje te helpen en eind februari de eerste voorjaarsplanten in bloei te hebben. Iets aparts zijn dan bloeiende lelietjes-van-dalen.
Maak daartoe een draadconstructie in de vorm van een kelk, vul deze met de soort mos dat groeit op vergaan hout; druk het mos zodanig stevig in de draadconstructie, dat het aan de buitenkant zichtbaar is. Lelietjes-van-dalen (Convallaria majalis) zijn woekerende planten, die zich in de tuin voortplanten door middel van worteluitlopers. Neem een paar van die uitlopers, waarop zich reeds het begin van een nieuwe loot heeft gevormd en snijd de wortels drie tot vier centimeter van het groeipunt af. Druk deze in het mos.
Plaats het geheel op een schaal, houd het mos vochtig en zet de schaal op een warme plaats. Binnen twee weken staan de lelietjes-van-dalen boven het mos in bloei en verspreiden hun indringende geur. Binnenskamers is de lente dan al heel voorzichtig begonnen.
Egels
Tuinen met een composthoop, een goed gevulde border, een brede haag en een paar oude fruitbomen hebben de voorkeur van de egel. Met groot geraas betreedt de egel het strijdtoneel. Knorrend en grommend als een jong varken gaat hij op zoek naar wormen en andere heerlijkheden. Egels zijn van nature insekteneters, maar keukenafval op de composthoop of kattevoer wordt evenmin versmaad. Ook eten ze graag afgevallen fruit en een enkel geroofd eitje uit een nest gaat er ook altijd wel in.
Egels zijn door hun stekelige jas goed beschermd tegen aanvallers en zijn van nature ook niet bang. Bij een eerste ontmoeting met de egel in de tuin zal deze waarschijnlijk de stekels overeind zetten en doodstil blijven zitten. Maak geen onverwachte geluiden of bewegingen. Alleen dan zal de egel de indringer als ongevaarlijk beschouwen en doorgaan met datgene waarmee hij bezig was.
Egels zijn nachtdieren, maar in de herfst zijn ze ook overdag actief met voedsel zoeken. Tegen het einde van de herfst, als de eerste vorst zich aankondigt, wordt het tijd voor de winterslaap van de egels. Ze trekken zich terug in een ondergronds hol of diep onder een bladhoop. Maar voor het zover is, zorgen ze ervoor goed doorvoed te zijn. Vindt men tijdens de tuinwerkzaamheden in de winter zo'n egel in winterslaap, laat hem dan zoveel mogelijk met rust. Bij verstoring wordt de egel wakker en ook al vindt hij een nieuwe plek om de winterslaap voort te zetten, het ontwaken uit zo'n diepe slaap verbruikt te veel van de energiereserves.
Mieren
Elke tuin heeft wel een vestiging van de BV MIER; een soort tuinmafia die in de stilte van de nacht aan haar imperium bouwt. Verscholen onder stenen worden er complete ondergrondse steden gebouwd, waarvan de uitvalswegen kriskras door de tuin lopen. Duizenden mieren vinden een bestaan in een goed geolied bedrijf, waarvan de taak van iedere werknemer erfelijk bepaald is.
Het voedsel van de mier bestaat uit zoetigheden en olieachtige zaden. Vooral die van madeliefjes en wolfsmelk (Euphorbia) zijn favoriet bij de mieren. Zij zijn het die zorg dragen voor de verspreiding van deze zaden. Ook aangetast fruit behoort tot het voedsel van de mieren.
Bladluizen vormen de grootste voedselbron van de BV MIER; niet de bladluis zelf helaas, maar de honingdauw die ze afscheiden, het resultaat van enorme zwelgpartijen om het kleine beetje eiwitten dat in plantesap zit, te pakken te krijgen. De grote hoeveelheden suikers worden in de vorm van nectar door de bladluis uitgepoept. Deze druppels geconcentreerde suikeroplossing zijn de oorzaak van het kleverige uiterlijk van de door bladluis aangetaste bomen en heesters.
De bladluizen worden door de BV MIER geëxploiteerd: ze worden tegen weersinvloeden beschermd door schuilhutten van korreltjes aarde, gebouwd op plantestengels. De mier 'melkt' de bladluis en als het hem niet snel genoeg gaat, klopt de mier met z'n antennes op het met nectar gevulde vette achterlijf van de luis, waarop deze presteert zoals een goede luis betaamt.
Tegen de winter worden de eieren van de bladluizen zorgvuldig verzameld en veilig opgeborgen onder in de mierenhoop: een investering voor de toekomst.
Echt schadelijk zijn mieren voor de tuin niet. Door hun ondergrondse activiteiten beluchten ze de bodem; ze ontdoen de groentetuin van verrot fruit en helpen een handje in de bestrijding van insektenplagen. Maar fraai zijn de mierenhopen allerminst; hoewel het fascinerend is om te zien hoe georganiseerd en bedrijvig de mieren bezig zijn.
Vlinders
Een ronddwalende kleurige vlinder in de tuin geeft al die zomerse uitbundige bloemenrijkdom plotseling een grote meerwaarde. Vlinders zijn mooi en horen in een tuin; een goedgekozen beplanting kan daar veel aan bijdragen. Zo is de combinatie van lavendel en een vlinderstruik (Buddleia) in de nabijheid van brandnetels een ijzersterke vlindervriendelijke beplanting. De kleine vos bijvoorbeeld legt haar eieren, waar de borstelige, zwart-groene rupsen uit voortkomen, op brandnetels. De volgroeide rupsen trekken naar heesters in de nabijheid om daar te verpoppen.
Zelf zal men brandnetels natuurlijk niet zo gauw in de eigen tuin aanplanten. Echter, grenst aan het erf een ruigte, dan zullen daar vrijwel zeker brandnetels groeien, met de aanwezigheid van de kleine vos als resultaat. Komen naast de brandnetel ook nog distel of hop voor, dan zijn behalve de vlinderstruik hemelsleutel (Sedum Telephium) en herfstaster de aangewezen beplanting voor de eigen tuin.
De distelvlinder is een trekvlinder; met miljoenen komen ze groepsgewijs vanuit Noord-Afrika richting Europa en enkele van hen strijken neer op plaatsen met distels, klitten, asters en brandnetels.
Met het koolwitje is de groentetelende tuinier minder gelukkig: de rupsen hiervan vreten complete koolplanten kaal. In de buurt van zo'n rupsenpopulatie worden vaak heel kleine gele bolletjes gevonden: de poppen van een onooglijk vliegje (Apanteles glomeratus) herbergen de grootste vernietiger van de rups van het koolwitje. Deze onderschatte helper van de tuinier legt zijn eieren in de rups, die daarmee een zeker einde tegemoetgaat. Wees daarom voorzichtig met het verwijderen van wat vlindereieren lijken, maar in werkelijkheid evenzoveel rupsdoders in wording blijken te zijn.
Vele vlindersoorten spinnen ragfijne weefsels tussen de takken van bij voorkeur een meidoorn of een kardinaalsmuts; soms lijkt het erop alsof de hele heester ingepakt is. Als de beweeglijke rupsjes uitgegeten zijn en de heester kaal, worden de spinsels weggespoeld door de regen en loopt de heester opnieuw uit. Zo'n ingesponnen heester ziet er bedroevend uit en is geen sieraad voor de tuin; de tuinier zal zijn genoegen moeten putten uit het vrolijke gekwetter van een jong koolmezengezin dat zó kan aanschuiven aan een overvloedig maal hangend aan de kale takken.
Spinnen
Het spinnendom is alom aanwezig en vooral in de herfst lijkt het wel of de tuin van spinnen vergeven is. Hun aantal groeit in die tijd tot zo'n vijftig stuks per vierkante meter. Deze explosieve groei volgt op de aanwezigheid van de vele insekten die zich in de loop van de zomermaanden ontwikkeld hebben; ook de spinnen schuiven immers graag aan bij het grote oogstfeest van de herfst. En daar spinnen vleesetende insekten zijn, vallen ze in de herfstmaanden in de prijzen.
Echte kaken bezitten de spinnen niet; ze hebben een stel tasters met daarachter een mondholte. Ze kunnen hun prooien alleen maar uitzuigen of kneuzen met de tasters. Fijnzinnig zijn de spinnen dus niet in de wijze waarop ze met hun slachtoffers omgaan. In principe maken ze het organisme van hun prooien vloeibaar door er verteringssappen overheen te spuiten of de prooi ermee te injecteren. Andere spinnen bijten hun slachtoffers de poten af om ze naar hun schuilplaats te slepen en daar verder van hen te kunnen genieten.
Spinnen zijn niet kieskeurig in de keuze van hun voedsel. Het zijn echte opruimers van het insektenbestand. Zelfs felle donders als wespen gaan erin als koek. Bij de schuilplaats van de spinnen liggen dan ook de overblijfselen van vele vliegen, pissebedden, oorwurmen en andere insekten.
De meeste spinnen vangen hun prooi door middel van hun webben van veelal kleverige draden, die ze zelf produceren. Enkele spinnen kunnen ook nog snel lopen, zoals de huisspin, die grote harige boy met z'n lichtbruine kleur. Tegen het eind van de zomer zoeken de tot volledig wasdom gekomen exemplaren van de huisspin de warmte van de woning op. Kwaad kunnen ze niet en als hun de tijd gegund wordt, maken ze grote trechtervormige webben met aan de rand een buisvormige schuilplaats. Daaruit komt de spin aangesprint zodra een insekt in een van de draden verward is geraakt.
Behalve het trechternet van de huisspin, zijn er de warrige webben van de kaardespinnen en het bekende wielweb van de kruisspin. Ook zijn er spinnen die in muurspleten leven en van daaruit een web van struikeldraden hebben aangelegd.
Spinnewebben behoren tot de herfstschoonheden. Prachtig zoals de met dauw beladen draden kunnen neerhangen in de ochtendnevel. Vooral tegen een zwartgeteerde schutting komen spinnewebben goed uit. Een hechte beplanting, zoals van liguster, meidoorn en hondsroos vormt een ideale biotoop voor vele spinnesoorten, maar dan moet je er wel van houden!
Vogels in de tuin
Met de zeer koude poollucht in de winter komen ze in grote aantallen ons land binnen: de ganzen, eenden en waadvogels, die uit voedselgebrek open water opgezocht hebben. Overal langs de oevers van de grote rivieren zijn ze te vinden. Overdag trekken ze in grote formaties rond om 's avonds op de uiterwaarden te overnachten.
Dichter bij huis komen de kleinere wintergasten, zoals de kramsvogel en de koperwiek. Vooral de kramsvogel komt vaak in de tuin. Met z'n bonte verenpak valt deze wintergast onmiddellijk op tussen de heesters, waar hij zich te goed doet aan de nog achtergebleven vruchtjes van berberis, vuurdoorn (Pyracantha coccinea), hondsroos (Rosa rugosa) en cotoneaster. Vaak komt de koperwiek, nadat deze vanuit een dichte heester zorgvuldig de kat uit de boom gekeken heeft, de kramsvogel gezelschap houden. Deze vogel lijkt wat op een zanglijster, maar onderscheidt zich door een roodbruine vlek op de flanken en een opvallende witte wenkbrauwstreep.
Tijdens en na een vorstperiode hebben vele vogels het moeilijk. Hun voedsel is door de vorst onbereikbaar geworden en drinkwater is nauwelijks meer voorhanden. Zelfs de insekten in de ruw geplooide schors van de vruchtbomen zijn door de vorst onbereikbaar geworden.
Tijd, zelfs tot ruim in het begin van de lente, om de vogelpopulatie in de eigen tuin te helpen. Het strooien van allerlei zaden wordt door vinken en andere zaadetertjes erg op prijs gesteld. Hazelnoten, stukgeslagen eikels en beukenootjes, overgehouden van een herfstwandeling in de bossen, worden in dank afgenomen door vele vogelsoorten. Aan een draad geregen pinda's stellen vooral de mezen op prijs. Insektenetende vogels (winterkoning en roodborst) zullen vaak op een spekzwoerd afkomen.
De meeste vogels eten liever op een veilige afstand van de grond en daarom is een voederplank op een gladde paal van ongeveer eenmeterzeventig ideaal. Plaats de voederplank in de aanvliegroute van de vogels naar wat heesters. Water in een bakje is eveneens noodzakelijk. Plaats het waterbakje op een zonnige plek op het zuiden; bevriezen doet het 's nachts toch, maar hoe eerder het ontdooid is, des te beter. Met toevoegingen aan het water om bevriezing te voorkomen, worden de vogels overigens niet geholpen!
De komst van verschillende soorten vogels kan door de tuinier beïnvloed worden; niet alleen door het strooien van voer of het hangen van vetbolletjes met zaad, maar ook door de keuze van de aanplant en de vorm van de tuin. Zo worden lijsters, heggemussen, roodborstjes, vinken en groenlingen aangetrokken tot de volwassen hagen en bosjes in de oudere tuinen. Vooral de verschillende soorten berberis en cotoneaster zijn door hun dichtheid heel aantrekkelijk voor deze vogels, evenals een met klimop begroeide muur. De kardinaalsmuts (Euonymus) en sleedoorn (Prunus spinosa) zijn eveneens geliefde heesters: de eerste om de bessen en de laatste om z'n gemene stekels, die een tussen de takken gebouwd nest heel goed beschermen. De vlier is een bessenleverancier bij uitstek en wordt dan ook zeer druk bezocht door de vogels.
Een groot grasveld trekt spreeuwen aan, die groepsgewijs wormen zoeken. Ook de kwikstaart stapt graag op het gras rond.
In vrijwel elke tuin behoort de merel zomer en winter tot de regelmatige bezoekers. Deze vogel heeft een stevige snavel, die geschikt is voor allerlei soorten voedsel. Graag eten ze op de grond gevallen appels en peren en trekken hun voedsel in de vorm van regenwormen letterlijk uit de grond.
Het roodborstje is vrijwel het gehele jaar door in de tuin te zien. Het is een nieuwsgierig vogeltje met een heel sterk territoriumgedrag, waardoor het zich gedraagt alsof de tuin van hem of haar is, en voor zover dat de collega's roodborstjes betreft, is dat ook zo.
De basisuitrusting
Voor de aanleg van een tuin en het onderhoud ervan zijn in elk geval een spa, een hark en een schoffel nodig. Dit gereedschap is in verschillende kwaliteiten verkrijgbaar. Bij de aanschaf ervan moet erop gelet worden dat het eigenlijke werktuig en het steelhuis uit één stuk metaal vervaardigd zijn. Liefst gesmeed natuurlijk; dat is vaak duur in aanschaf, maar het gaat dan ook erg lang mee.
Bij de spa is er veel variatie in de dikte en de vorm van het blad: in zware zeeklei is een kleine, smalle spa aan te bevelen en in de wat lichtere rivierklei werkt een wat forser uitgevoerde spa beter. In zandgrond heeft het werken met een spa weinig zin; dan is een schop gemakkelijker werken. Het blad hiervan is aan de zijkanten naar binnen gebogen en de hoek van het blad ten opzichte van de steel is kleiner dan bij de spa, waardoor ermee geschept kan worden. Met een spa wordt meer gestoken.
Voor het losmaken van de aarde tussen de planten is de hark onmisbaar. Let er bij de aanschaf op dat de steel goed verbonden is aan de hark en dat hij de juiste lengte heeft: de stok moet tot aan de oksel van de gebruiker reiken. Voor het gelijkmaken van de grond is een hark met tien tot twaalf (rechte) tanden het meest geschikt.
Er zijn trekschoffels en duwschoffels. Bij de trekschoffel 'trekt' men het blad, dat het onkruid afsnijdt, naar zich toe; bij de duwschoffel duwt men het blad van zich af, waarbij het onkruid van de wortels losgesneden wordt. Op kleigronden zijn de trekschoffels gemakkelijker te hanteren en in zand de duwschoffels. De steel moet bijna even lang zijn als de gebruiker groot is.
Een gieter in de tuin is nodig voor het begieten van de pas geplante heesters en vaste planten. Een gieter met een inhoud van rond de tien liter en met een afneembare broes is het meest praktisch. Mooi en duurzaam is de verzinkte ijzeren gieter. Goedkoop en licht van gewicht zijn de plastic gieters.
Niet alleen voor gebruik in de tuin zijn een plantschepje, een wiedvork en een onkruidsteker heel gemakkelijk; ook voor het verzorgen van de plantenbakken op het balkon of terras komen deze tuinierhulpjes heel goed van pas. Niet duur in aanschaf, vaak felgekleurd, zijn ze in alle soorten en maten verkrijgbaar. Let er wel op dat het schepje en de wiedvork zelf van stevig metaal zijn gemaakt. Ook in een plantenbak is het vervelend werken met slecht materiaal.
Grasmaaier
Voor het maaien van het gras van het gazon is een machine nodig. In een tuin van 500 m2 en minder kan volstaan worden met een handmaaimachine, waarvan er vele typen met diverse snijbreedtes verkrijgbaar zijn. Een smalle snijbreedte werkt lichter dan een grote snijbreedte, maar het duurt langer voordat het maaiwerk verricht is.
Voor de grotere grasoppervlakten zijn er elektrische of door een benzinemotortje aangedreven maaiers. Er is keuze tussen een kooimaaier en een cirkelmaaier. De kooimaaier 'knipt' het gras af tussen een bewegend bovenmes en een vast ondermes; de cirkelmaaier heeft een roterend mes, die het gras afkapt. De kooimaaier geeft dan ook dat 'gestreepte' resultaat naar Engels model. Door de eenvoudiger constructie is de cirkelmaaier goedkoper in aanschaf dan de kooimaaier.
Een grasvanger aan de maaimachine verzamelt het afgemaaide gras tijdens het maaien en maakt een grashark overbodig.
Kantenknipper en kantensteker
Voor het knippen van grasranden zijn er kantenknippers in de handel. Van eenvoudige scharen tot elektrisch aangedreven graskantenknippers: hierbij kapt een heel snel draaiend nylon snoertje het gras af. De kantenknipper is een buitenmodel schep met een recht blad, waarmee de grasrand afgestoken kan worden. Span een touwtje als een volkomen rechte grasrand gewenst is.
Heggeschaar en snoeischaar
Voor het knippen van heggen is een heggeschaar onontbeerlijk. Neem er verschillende in de hand voor er tot aanschaf wordt besloten. Er zijn snoeischaren met één bewegend mes en een vast ondermes (het aambeeld) en snoeischaren met twee bewegende messen. Beide maken scherpe sneden, mits de bladen zijn geslepen en van roestvrij staal zijn vervaardigd.
Tuinschort en tuinhandschoenen
Altijd gemakkelijk is een tuinschort, vooral een met een paar forse zakken aan de voorkant is heel praktisch in het gebruik in de tuin.
Tuinhandschoenen zijn er in alle soorten en maten. Van de heel zware 'wegwerkers'-modellen tot de meest elegante, maar minder functionele suède handschoentjes toe. Tuinhandschoenen sparen de handen tijdens het werken in de tuin.
Tuinslangen en slanghaspels
Hoewel de rubberen slang nog steeds verkrijgbaar is, zijn de plastic tuinslangen thans het meest gangbaar. Vooral de nylon versterkte slangen van PVC zijn duurzaam. De slang is verkrijgbaar per meter of in de standaardmaten van 15, 20, 25 of 30 meter.
Een stevige slanghaspel waarop de tuinslang opgerold bewaard kan worden, voorkomt knikken in de slang. Er zijn ook verrijdbare slanghaspels te koop.
Sproeier en koppelstuk
Voor de besproeiing van de tuin zijn er talloze sproeiers. Naast de zwenksproeier zijn er de draaiende gazonsproeier en de pulserende sproeier. Deze laatste heeft het grootste sproeibereik (meer dan 500 m2) en is duur in aanschaf.
Voor de noodzakelijke koppeling van de slang aan de kraan en de sproeier bestaan er tal van gepatenteerde verbindingsstukken. Koop om er zeker van te zijn dat alles past verbindingsstukken van hetzelfde merk als dat van de tuinslang.
Kruiwagen, hakselaar en compostvat
In de wat grotere tuinen voorkomt een kruiwagen heel wat overbodig til- en sleepwerk. Tegenwoordig zijn alle kruiwagens uitgevoerd met luchtbanden; let er bij de aanschaf op of de velg van kunststof dan wel van metaal is vervaardigd. Reparaties aan banden op een kunststofvelg gaan immers vaak ten koste van de velg.
Kuipen van de kruiwagen kunnen van PVC of uit metaal gemaakt zijn. Metalen kuipen scheuren minder snel, kuipen van PVC roesten niet. Prijstechnisch is er weinig verschil.
In volgroeide tuinen ontstaat in de loop van het seizoen veel tuinafval in de vorm van snoeitakken en gewied onkruid. Zelf composteren in een compostvat is dan beter dan het tuinafval meegeven aan de vuilnisman. Voor het versnipperen van snoeihout dat te groot is voor het compostvat, is een hakselaar een uitkomst.
Cultivator en hakfrees
Voor de verzorging van de bodem tussen de vaste planten is een cultivator een zeer geschikt gereedschap. Er zijn cultivators met drie tot vijf tanden. Voor lichtere gronden is een cultivator met vijf tanden heel geschikt en voor de zwaardere gronden die met drie tanden. Let erop dat de steel goed stevig aan het eigenlijke werktuig bevestigd is.
De (hand)hakfrees bestaat uit een aantal tandwieltjes op een as, die als de hakfrees over de grond getrokken wordt, de aarde verkruimelen. Dit type is alleen geschikt op zeer lichte gronden.
Boomzaag en bijl
Voor het grotere snoeiwerk is een boomzaag echt nodig. Kies een zaag met niet te fijne tanden, omdat die snel verstopt raken bij zagen in levend hout.
Ook een langstelige snoeischaar voor de hoog aangehechte takken van de boom kan een uitkomst zijn.
Behalve voor het kloven van hout voor de open haard, kan een bijl noodzakelijk blijken bij het omhakken van bomen. Bij een goede bijl zit de steel muurvast in de bijl verankerd.
Hobbykasje
Een kas verruimt de mogelijkheden van de tuinier aanzienlijk. Het opkweken vanuit zaad van eenjarig plantgoed, het voortrekken van bollen, het telen van groenten in de winter, het inrichten van de hobbykas tot een oranjerie; het is allemaal mogelijk! Hobbykasjes zijn in alle soorten en maten in de handel verkrijgbaar. Voor elk soort gebruik is er wel een kas voorhanden. Denk eraan dat het niet in alle gemeenten in Nederland is toegestaan zonder vergunning een hobbykas neer te zetten.
Onderhoud van tuingereedschap
Herfstregens en najaarsstormen houden de tuinier binnen. Ook voor de tuin zelf treedt in de herfst de rustperiode in en tot en met januari is er ruimschoots gelegenheid aandacht te besteden aan het tuingereedschap. Vervang versleten houten stelen, want van goed gereedschap slijten de houten delen eerder dan het eigenlijke instrument. Gereedschap dat scherp behoort te zijn, moet geslepen of gevijld worden.
Vooral schoffels dienen een scherpe snijzijde te hebben. Let erop dat deze snijkant niet geslepen wordt als die van een scheermes, want dan verbuigt de snijrand op de eerste de beste steen. De snijrand van een schoffel moet iets 'afgerond' geslepen worden. Ook spaden kunnen na verloop van tijd bot worden; deze kunnen beter gevijld worden dan geslepen met een slijpsteen, omdat er dan te veel metaal wordt weggehaald.
Snijgereedschap als hakmessen, bijlen en snoeischaren moeten natuurlijk altijd scherp zijn. Dit soort gereedschappen kunnen het best juist wel op een slijpsteen geslepen worden; bij voorkeur een handsteen van amaril, carborundum of zandsteen. Houd de steen bij het draaien nat, anders verbrandt de snijkant van het gereedschap door de wrijving.
Kijk voordat er gereedschap geslepen wordt zorgvuldig hoe de oorspronkelijke snijhoeken eruitzien. Bladen van bijlen en sommige messen zijn aan twee zijden geslepen om een symmetrische snede te verkrijgen. Beitels, knipmessen en snoeischaren zijn juist asymmetrisch geslepen; deze dienen slechts aan één kant geslepen te worden. Verander de oorspronkelijke snijhoeken niet.
Grasmachines zijn in de wintermaanden werkloos en na een lang seizoen maaien is het zeker nodig de messen te (laten) slijpen. De vakman heeft er nu de tijd voor.
Maak al het gereedschap goed schoon voor het wordt weggehangen in garage of schuur en wrijf de metalen delen en - indien nodig ook de steel - met dunne olie of zuurvrije vaseline in. Dit voorkomt dat het metaal roest en dat de houten steel uitdroogt.
Gooi kapot gereedschap alleen weg als het in z'n geheel niet bruikbaar meer is. Als de steel nog goed is, bewaar deze dan: hij kan altijd nog een keer van pas komen.
Januari
Februari
Maart
April
Mei
Juni
Juli
Augustus
September
Oktober
November
December
© 1991, 2000 Huis en Hof v.o.f., Postbus 50, 4180 BB Waardenburg.
Illustraties: C. Wolthoorn-Sjoerdsma